- Download preek als PDF bestand    (Klik hier voor grote letter)
 - Download liturgie als PDF bestand
 - Download PowerPoint presentatie
 
- Terug naar menu


Tips voor de (voor)lezer.

De voorlezing van Exodus 28 - een lang en beschrijvend hoofdstuk - stelt bijzondere eisen. Een tip voor deze voorlezing is toegevoegd aan de liturgie.

ALGEMEEN
1. Lees als preeklezer vooraf het menu Informatie over Contact, Tekstkeuze e.a.

2. De cijfers tussen [ ] in de tekst, zijn alleen van belang wanneer men gebruik maakt van beamer-ondersteuning. Lees in dat geval als verzorger van de beamer vooraf in het menu Informatie : ,,De powerpoint presentatie,,.


Liturgie.

Morgendienst

Votum/zegengroet
Psalm 86:1,2,3 (,,Tot U hef ik mijn leven,,)
Wet van de HERE
Psalm 86:4,5 (,,Voeg geheel mijn hart tezaam tot de vrees van Uwe naam,,)
Gebed
Lezen: Exodus 28
Psalm 134 (,,Uit Sion dale op u neer de zegen van uw God, de Heer,,)
Preek
GK-2006 Lied 163 (,,In hét laatste uur zal ík zegevierend ingaan in rust met U die mij hebt voortgeleid,,).
Gebed
Collecte
Psalm 27:1,4 (,,Hij draagt mij naar hoogten die geen vijand kent,,)
Zegen


Middagdienst

Votum/zegengroet
Psalm 86:1,2,3 (,,Tot U hef ik mijn leven,,)
Gebed
Lezen: Exodus 28
Psalm 134 (,,Uit Sion dale op u neer de zegen van uw God, de Heer,,)
Preek
GK-2006 Lied 163 (,,In hét laatste uur zal ík zegevierend ingaan in rust met U die mij hebt voortgeleid,,).
Gebed
Apostolische geloofsbelijdenis
Psalm 86:5 (,,Gij zijt God, ja Gij alleen, goedertieren om ons heen,,)
Collecte
Psalm 27:1,4 (,,Hij draagt mij naar hoogten die geen vijand kent,,)
Zegen


TIP VOOR DE VOORLEZING VAN EXODUS 28
Het is een lang hoofdstuk en het kan de meelezers/luisteraars helpen wanneer de structuur ervan duidelijk wordt aangegeven. En wanneer ook de verschillen in vertaling van enkele kernwoorden tussen de NBG-1951 en de NBV even worden aangeduid.
Ieder kan daar een eigen manier voor zoeken. Eén mogelijkheid is om de voorlezing alsvolgt te begeleiden met toelichtende passages:

,,Broeders en zusters we gaan nu Exodus 28 bekijken. Het hoofdstuk laat ons een plaatje zien. Een plaatje van de hogepriester. Om naar te kijken. Maar het is een plaatje in woorden: je moet het zelf gaan opbouwen in je hoofd door goed te luisteren. Het is een vrij lang hoofdstuk en dat is ook wel begrijpelijk. Wanneer je moet vertellen waar je geweest bent, heb je aan een paar woorden genoeg, maar wanneer je moet vertellen hoe iemand gekleed was, heb je heel wat meer woorden nodig. Zo is het ook in dit hoofdstuk. Het begint met een opschrift waarin wordt verteld waarover het zal gaan. Dat zijn de verzen 1-4 (lees vers 1-4)
Dan volgt een overzicht van de gebruikte kleurige stoffen en materialen (lees vers 5).
In de verzen 6-14 volgt nu een beschrijving van de efod of priesterschort [NBV] (lees vers 6-14).
Het volgende kledingsstuk dat wordt beschreven is nu het borstschild of de borsttas [NBV] (lees vers 15-30).
Bij deze twee bijzondere kledingsstukken hoort ook een opperkleed (lees vers 31-35).
In de verzen 36-38 komt nu nog iets bijzonders ter sprake: de voorhoofdplaat of de rozet [NBV] (lees vers 36-38).
Tenslotte nog het onderkleed (lees vers 39).
Ook de veel eenvoudiger kleding van de andere priesters wordt kort aangeduid (lees vers 40).
Bijzondere kleding trek je niet zomaar aan. Het is de kleding van de HERE: daar hoort een wijding bij (lees vers 41).
Het hoofdstuk eindigt met een toevoeging, een soort voetnoot (lees vers 42-43).




Preek over: Exodus 28

Wilt u voorlezing van deze preek in uw gemeente even melden via contact@vanbruggenpreken.nl?
______________________________




ONZE NAMEN WORDEN VOOR GOD GEDRAGEN



Exodus 28: Israëls namen op de schouders en het hart van de hogepriester.



[1]
Gemeente van onze Here Jezus Christus, broeders en zusters, jongens en meisjes,


Allemaal samen wordt u bij het begin van deze preek aangesproken als ,,Geliefde gemeente!,, Het zou immers tever voeren om iedereen op dit moment één voor één met zijn of haar eigen naam aan te spreken. Het zou wel kunnen, maar het zou teveel tijd kosten. Toch kán het wél en dat is een groot voorrecht. Dat je hier in de kerk komt als mensen die een eigennaam hebben. U heet. Jij bent. Ook al worden we in één keer aangesproken als één gemeente, we zijn hier toch met vele mensen die ieder hun eigen naam dragen. [2.1]

Niemand is graag een nummer. Mensen dragen namen: zij zijn persoonlijk. We hebben onze identiteit. In onze geautomatiseerde samenleving dreigen mensen steeds vaker herleid te worden tot een nummer, een getal. Terecht rijst daartegen verzet. Mensen willen niet alleen geteld worden, in een rij staan, maar ook een naam dragen waar een gezicht bij hoort en een persoon. [2.2]

In het kerkelijk handboekje van uw gemeente staan wel wat getallen, maar veel interessanter is het dat daar namen in staan. Ook van de kleinste kinderen in uw midden. Je staat erin met naam en toenaam.

Die naam is de poort naar onze persoon. Namen zijn heel persoonlijk. Je wordt ermee geroepen. Bij opsporingen is het vaak een gouden tip wanneer er namen genoemd kunnen worden. Wanneer iemand je naam, je adres weet, kun je niet meer verborgen blijven.

*

Dat verborgen blijven voor vreemden is tegenwoordig trouwens steeds moeilijker. Ze weten langzamerhand overal alles van je. Je naam en adres worden steeds vaker geregistreerd en gebruikt: via mailingbestanden, winkelpasjes, telefoonnummers, postcodes, electronische betalingen enz. Die naamsbestanden worden ook verhandeld. Om je te kunnen benaderen, om je iets aan te praten, om iets van je te halen. [2.3]

En dan is het opvallend dat men in onze namen vooral van één kant geïnteresseerd is: van de kant van hen die ons iets willen afnemen aan tijd, geld, bezit.

Maar zijn onze namen ook automatisch zo bekend bij hulpverleningsorganisaties? Word je opgebeld door iemand die weet dat je alleen bent, geld tekort hebt, verdriet moet verwerken? Staat dat ook allemaal in bestanden en worden de mailingadressen van leed en zonde ook verkocht? Het omgekeerde is waar. De verkoper vindt jou wel, maar de hulpverlener zul je zelf moeten gaan zoeken. De namen van noodlijdenden zijn vaak spoorloos en zeker niet automatisch geregistreerd. De reclame stroomt je brievenbus binnen, maar in het ziekenhuis moet je er voor vechten dat je naam een plekje krijgt op de wachtlijst en opschuift.

*

In het bijbelgedeelte van deze dienst vinden we op deze regel een verrassende uitzondering. In dit gedeelte komen ook namen van personen voor. Namen die verzameld worden en die bekend worden gemaakt aan een ander. Maar het verrassende is nu dat hier de naamsbekendheid bevorderd wordt in het belang van de mensen zelf. Namen worden hier niet gebruikt of misbruikt, maar namen krijgen aandacht om ze te helpen.

De hogepriester in vol ornaat gaat met een adressenlijst de tempel in: die en die wonen hier (in dit volk) en hun namen zijn de volgende. En zij hebben vergeving en hulp nodig. Het namenbestand van Israël wordt niet in de tempel gedragen omdat de HERE of de priester daar beter van kunnen worden. Hier is een heel andere manier om namen te verzamelen en als bestand over te dragen aan een Ander. De manier van de priester van de HERE! [2.4]

Priesters kenden alle volken in die tijd. Maar een priester die met een namenlijst op zak de tempel ingaat en die deze namenlijst zelfs in tweevoud op zijn uniform meedraagt, dat is onbekend. En volstrekt onbekend is dat hij zo'n namenlijst de tempel zou binnendragen om die aan de godheid te tonen. In de oude tempels vindt je wel veel wijgeschenken waar de mensen zélf hun naam op hebben gezet, om er eer mee in te leggen en om bekendheid te krijgen of om de godheid om hulp en genezing te smeken, maar men kent geen priesters die op eigen initiatief je naam naar de godheid dragen. Dit gebeurt alleen in Israël.

Wat wil dit zeggen? Het is een symbool voor Israël en ook voor ons.

ONZE NAMEN WORDEN VOOR GOD GEDRAGEN [3]

1. Naam voor naam
2. Op het priesterhart
3. Voor de Heilige



1. (Naam voor naam) [4]

De kleding voor de hogepriester is heel bijzonder. Uniek. Niemand droeg zoiets. Alleen hij ging gekleed in bijzondere en vooral kleurige kleding. Goud, blauwpurper, roodpurper, scharlaken, fijn linnen: je kunt niet aan de hogepriester voorbijkijken. Hij is een feest om te zien! In de verzen 2-14 en 39-43 wordt een beschrijving van zijn gewaad geboden.

Maar wat is dan het meest opvallende waaraan ook de meeste woorden worden gewijd? Dat zijn de beide schouderstukken. [5.1]

Als een soort epauletten draagt hij op elke schouder een chrysopraassteen, helder blauwgroen van kleur. De Nieuwe Bijbelvertaling heeft hier vertaald met ,,onyxstenen,,: deze steen heeft witte en zwarte lagen. En in die twee stenen staan (twee maal zes) de namen van de zonen van Israël gegraveerd, naar de volgorde van hun geboorte. De hogepriester draagt de namen van Israëls zonen op zijn schouders naar binnen (28:9-12). [5.2]

Wat opvalt is dat hij geen verzamelnaam draagt. Waarom staat er niet simpelweg ,,Israël'' gegraveerd in de stenen? Het is toch één volk, één kerk? Toch vinden we hier geen verzamelnaam, maar eigennamen, één voor één, zes per steen.

Dit bevat een duidelijke boodschap. De kerk van God bestaat uit mensen en families: 12 stamfamilies, ieder met zijn eigen geboortedatum. In de kerk word je niet naamloos, onpersoonlijk. Je geboortedatum doet ertoe, je generatie, je naam. God wil je niet kennen als een nummer, maar als een jongen, een meisje met een naam, een man, een zuster met een eigennaam. Heel persoonlijk is het bij Hem!

Niet alle duizenden namen van Israël stonden gegraveerd in die twee stenen: dat zou onmogelijk zijn geweest. Alleen het begin staat geschreven, maar daarmee wordt de toon gezet. Israëlieten zijn bij God bekend als zonen van die en die vader, toen en toen geboren. Je afstamming doet ertoe. Je naam wordt niet omgesmolten tot een groepscode.

Wanneer je echter het volk van God herleidt tot eigennamen, één voor één, wordt het er niet indrukwekkender op.
De namen hebben hun persoonlijk verhaal, hebben een gezicht. [5.3]

En die gezichten staan te kijk op de schouders van de priester.

Daar staat Ruben: bekend om het overspel met de vrouw van zijn vader.

Daaronder de namen van Simeon en Levi: opvliegende Hell's Angels bij Sichem.

Dan volgt Juda: de man van het compromis waar Jozef ook al niet veel aan gehad heeft toen hij in de put was gegooid.

Op de tweede steen begint het met Gad en Aser: van wie je weinig weet omdat ze hun eigen leven leidden en weinig optrokken in de gemeenschap.

De laatste naam is Benjamin. Jakob noemde hem in zijn zegen in Genesis 49:27 een verscheurend wolfskind.


Het is geen heldengalerij om mee te pronken en het zijn geen ridderordes op de schouders van de hogepriester, geen lijst van heiligen en weldoeners, maar een volledige lijst van alle namen, hoe ze ook zijn. In ieder geval: dát zijn ze!

Die mensen?! Moet daar het kleurig kleed mee worden afgewerkt?
Het is mooi wanneer je naam niet vergeten wordt, maar soms is het beter wanneer je niet al te hoog tegen het licht wordt gehouden.

Toch draagt de priester onze namen zichtbaar en hoog op zijn schouder. Hij mag zich niet schamen voor die namen. God wil ze één voor één voor zich zien.

Dat kan ons onzeker maken. Durven we onder eigen naam bij God te komen? Een verdachte naam houd je schuil. Een pijnlijke herinnering moffel je weg. Noem mij niet Naomi!
Veel christenen zijn tevreden dat ze anoniem delen in de kerk: ze zouden niet graag dat hun namen al te bekend werden, hun verleden, de geschiedenis van hun voorgeslacht (waar kom je vandaan?).
Sommigen zijn verlegen met hun naam of persoonlijkheid. Ze voelen zich schuldig of onbetekenend.
Toch worden de namen twee maal zes ingegraveerd.
Tot gedachtenis. [5.4]

God kent ons persoonlijk en wil jouw gezicht en naam kennen. Je kunt je niet verschuilen achter de brede rug van de kerk of de christenheid. Het hoeft niet, het mag niet en het zal ook niet lukken. Hoe heet jezelf? Wat ben je waard? Kom eens voor de dag en noem je naam, je persoon, je karakter!

De hogepriester brengt het volk van God naam voor naam naar de HERE God.
Zo gedenkt Hij ons.
Zo kent Hij mij: mijn persoonsgegevens zijn voor Hem niet verborgen, ik kan ze niet afschermen. Open en bloot sta ik opgeschreven voor zijn ogen.
Geen namen om prat op te gaan. Maar de hogepriester tilt die namen op zijn schouder en draagt ze naar binnen.

Zo is Christus onze hogepriester die bij God je eigen naam en persoon bekend maakt.
Tot gedachtenis.
Misschien vergeten mensen je, maar Jezus zorgt dat God je niet vergeet. Hij houdt het adressenbestand en de geboortedata bij en onze namen vinden hun aandacht dankzij Hem.
Mijn leven wordt voor de troon gebracht.
Mijn naam wordt niet onopgemerkt vergeten, maar toch wordt het nu ook heel spannend. Misschien was het maar beter voor mij dat Gods oog niet op mijn naam werd gevestigd. Misschien is het soms maar beter voor ons dat Hij ons over het hoofd zou zien. Wie durft in het felle licht van de troon te verschijnen met naam en toenaam?


2. (Op het priesterhart) [6]

Verrassend is dan dat de namen herhaald worden. In de verzen 15-30 vinden we opnieuw de 12 namen. Op de borsttas worden 12 edelstenen gezet en daarop worden de zonen van Israël gegraveerd, elk met zijn naam (28:21). [7.1]

Wie de hogepriester ziet lopen, ziet dus twee keer dezelfde namen. Het is een dubbele notering. Eerst op de schouders en dan op de borsttas.
Het zijn dezelfde namen, opnieuw alle twaalf, opnieuw een symbool daarvoor dat mensen in Gods volk geen nummers worden maar dat vaders én kinderen gekend zijn bij God. Bij hem ben je een náám en geen cijfer!

Er is echter een verschil tussen de schouderstukken en de efod. De twee chrysopraas- of onyxstenen van de schouderstukken hebben één kleur: een achtergrondskleur voor de lijst van de namen.
Maar in de efod krijgt iedere naam een eigen achtergrondskleur. [7.2]

Wat een lijst was op de schouders, wordt heel persoonlijk gekleurd op de efod.
Heel persoonlijk ontvangt iedere naam een eigen edelsteen.

Rubens naam krijgt de diepere kleur van hartstocht, schaamte én belangrijkheid in het rood van de jaspis of van de robijn (NBV).

Simeon ontvangt de kleur van de gele chrysoliet of de geelroodbruine topaas (NBV): agressie én zonneschijn!

En de laatste, Benjamin, door zijn vader getypeerd als een verscheurende wolf, krijgt het doorzichtige groen van de nefriet of het rood van de jaspis (NBV): de dreiging van de wolfsogen vervaagt in het vredige groen of het rijke rood.


De stammen dragen niet hun eigen wapenschilden of harnaskleuren naar binnen: God geeft zelf een kleur aan hun namen.

Ze worden geschreven met de warme kleuren van edelstenen.
Ieder een eigen kleur: niemand blijft kleurloos en onpersoonlijk voor God.
En ieder met een kleur die je niet verwacht: eigennamen worden tot sieraden om te dragen. Zegelringen voor de hogepriester!

Waaraan danken deze namen hun kleuren voor God? Niet aan zichzelf. Maar aan de plaats waar ze bij tweede vermelding gedragen worden: op het hart van de hogepriester (28:29).
Aan het hart van de hogepriester krijgt je naam een diepe en blijvende kleur: je identiteit wordt eindelijk gaaf en de moeite waard. [7.3]

Voor de Israëlieten was dit een teken: het is veilig om tot een voortdurende gedachtenis voor de HERE gebracht te worden wanneer achter je naam het hart van de hogepriester klopt!

Het is ook een teken voor ons. Onze hogepriester Jezus is met ons bewogen. Hij draagt ons op het hart: denk maar aan het hogepriesterlijk gebed in Johannes 17, en door zijn liefde kleurt onze kleurloze naam persoonlijk op. Ik ben geen edelsteen, maar zijn liefde geeft achtergrond aan mijn bestaan voor God. Eens zal mijn naam niet meer in email of pottebakkerswerk bij de voordeur hangen, maar duurzaam gegrift zijn in edelsteen. Dan zal ik gekend zijn door de liefde en eeuwig tot Gods recht komen.

Zo mag je aan jezelf denken: een naam in agaat gesneden, als een zegelring. Zie ik er zo uit? Ja, dankzij de grondeloze verkiezende liefde van God die ons legt op het liefdevol kloppende hart van zijn Zoon. Wij krijgen daardoor een aanzien dat we niet hadden: dat symboliseert de priester die de namen op het hart moet dragen, ieder nu met een eigen persoonlijke kleur.

Zo krijgen we een Nieuwe Naam die niemand kent. Wij: dezelfde persoon, maar een Naam met een kleur waarvan je gaat blozen!


3. (Voor de Heilige) [8]

Nu brengt de hogepriester die namen naar binnen in de tempel. Belletjes rinkelen waar hij schrijdt, gewaden ruisen waar hij loopt. Aandacht trekt zijn verschijning.

Misschien vinden we het vreemd dat een ánder die namen van ons naar binnen draagt. Vooral in onze tijd willen mensen zélf zich waarmaken. Zélf hun naam bouwen. Ze willen niet afhankelijk zijn van een ander. Doet het niet tekort aan je persoonlijke identiteit wanneer je niet op eigen benen naar God kunt gaan, maar wanneer je daarvoor een tussenkomst nodig hebt? Is dat niet onpersoonlijk? [9.1]

Het is inderdaad vreemd.
Waarom kan Ruben en de zoon van Ruben niet zélf op God afstappen in de tempel en zeggen: hier ben ik en dit is mijn naam!
Waarom zou een mens niet zélf voor God kunnen komen met zijn leven en zeggen: dit is het en dit heb ík van mijzelf gemaakt!
Mensen willen zichzélf voorstellen aan God. En we willen niet gedrágen worden door een ander. [9.2]

Toch moet het zo gebeuren. Dat blijkt uit het derde deel van dit hoofdstuk. Want er is nóg een Naam in geding: DE naam!
Hoger dan het borstkleed van de efod en hoger dan de schouderstukken met de namen van de 12 zonen van Jakob in chrysopraas of onyx, draagt de hogepriester op zijn voorhoofd een gouden plaat en daarin staat: ,,Heilig voor de HERE'' (28:36).

Het transport van de mensennamen wordt voorzien van een veilig geleide: en dit is ook meteen het geheim van de namen op de edelstenen. De hogepriester zou deze zondige namen nooit in de tempel gebracht kunnen hebben, wanneer hij niet een vrijgeleide had. Een paspoort voor de tempel en de hemel: ,,De HERE heilig.'' [9.3]

Dat bordje draagt Ruben niet op zijn voorhoofd. En Juda niet en Benjamin niet en Aser niet. En ik niet en u niet.
Zo'n bordje van goud draagt geen mens.
En zo'n entreebewijs kun je nergens kopen.
Dat bestaat gewoon niet.
Alleen de hogepriester krijgt zo'n toegangsbewijs, een pasje voor de hemel.
Van goud. Op zijn voorhoofd. Door God toegekend.
En onder deze vlag kunnen wij binnenkomen.

God aanvaardt deze hogepriester.

In het Oude Testament tijdelijk en uit genade over Aarons huis. Het is dan nog een opgelegde plaat, een toegevoegde waarde, met kettinkjes tijdelijk aangebracht. Voor diensttijd alleen: de priester gaat de tempel in, maar komt er ook al snel weer uit! En de volgende dag loopt hij door Jeruzalems straten zónder die plaat.

In het Nieuwe Testament is dat anders. Jezus is van zichzelf uit ,,Den HERE heilig.'' Hij hoeft dat voorhoofdssieraad niet te dragen, omdat de naam van de Vader in zijn binnenste is. Hij is eeuwig van nature welkom in de hemel! [9.4]

God benoemt in het Oude Verbond een drager voor onze namen die als hogepriester met déze gewaden en déze voorhoofdsplaat voor Hem ontvankelijk is.
God gaf in het Nieuwe Verbond een Messias als drager voor onze namen: deze Messias is zijn Geliefde zoon.
Dankzij deze priester van God maakt God onze namen leesbaar in de hemel.

Een andere weg is er niet. De andere weg is die van de hoogmoed van de mens: ik ga zo wel naar binnen! Maar dat redt je niet. Hoogmoed zinkt weg in de aarde. Die weg loopt dood!

Alleen bescheidenheid en dankbaarheid voor de gegeven priester, voor de gegeven bemiddeling, opent toegang voor onze namen. En dan hoeven we ons niet voor te stellen. We wórden voor God gedragen. En we krijgen (!) kleur. Onze naam wordt zijn geheim.

Op aarde verdwijnt je adres en naam in een mailinglist: ze weten je straks wel te vinden! Maar in de hemel staat je naam geregistreerd bij de priester: Hij weet je wel te helpen tot bij het sterven, want Hij is niet uit op winst, maar draagt je op het hart.
In het Nieuwe Testament wordt dit ook wel aangeduid als ,,het boek van het leven.'' Er is een namenbestand in de hemel waarin je bent opgenomen. En Christus houdt het bij!

Het is goed om onze namen met Hem te zien verdwijnen achter het gordijn.
Ruben, Juda, Levi, Janssen, Erik, Lia.
Soms op aarde vergeten, maar heden in de hemel geliefd.
Op aarde eindig, maar in Gods hand gegraveerd voor eeuwig.

Wanneer je naam op aarde verkwijnt, sterft of verminkt en beschadigd werd, denk dan ook eens aan je Heiland. Dat verhaal van je levensnaam is er óók, ongezien. U kent zijn naam en kunt die aanroepen. U kunt Hem uw adressenbestand veilig laten verzorgen. Hij zal uw naam nooit uitwissen: wist u Hém niet uit in uw leven!!

Je mag op aarde in de knoop zitten met je naam, je leven, als je maar van één naam zeker bent: die van je Heiland. Wie op aarde struikelen: hun namen draagt Hij veilig binnen. Wie op aarde grauw van ellende gingen zien, krijgen glans en kleur op zijn hart.

Onthoudt de belofte van uw Heiland waarmee we mogen afsluiten:

,,Wie overwint, zal aldus bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitwissen uit het boek des levens, maar Ik zal zijn naam belijden voor mijn Vader en voor zijn engelen.''




AMEN [10]

- Terug naar menu