- Download preek als PDF bestand    (Klik hier voor grote letter)
 - Download liturgie als PDF bestand
 - Download PowerPoint presentatie
 
- Terug naar menu


Tips voor de (voor)lezer.

De preek kan rustig maar niet té langzaam worden voorgelezen. De kernwoorden zijn kapitaal aangegeven.

ALGEMEEN
1. Lees als preeklezer vooraf het menu Informatie over Contact, Tekstkeuze e.a.

2. De cijfers tussen [ ] in de tekst, zijn alleen van belang wanneer men gebruik maakt van beamer-ondersteuning. Lees in dat geval als verzorger van de beamer vooraf in het menu Informatie : ,,De powerpoint presentatie’’.


Liturgie.

Morgendienst



Votum, zegengroet, amen.

Zingen: Psalm 147:1,2 (,,Lof zij de HEER, goed is het leven’’)

De Tien Woorden

Zingen: Psalm 147:7 (,,Aan Israël heeft Hij ten leven zijn rechten en zijn wet gegeven’’)

Gebed voor de eredienst

Schriftlezing: Psalm 135

Zingen: Psalm135:1,2 (,,Looft de HERE, prijst zijn naam’’)

Tekstlezing: Psalm 135:5

Preek over Psalm 135:5

Zingen: Psalm 135:3,8,12 (,,Ja, ik weet: groot is de HEER’’)

Dienst van dankzegging en gebed

Dienst van de offergaven

Zingen: GK-2006 Lied 163 (,,Ik bouw op U!’’)

Zegen





Middagdienst



Votum, zegengroet, amen.

Zingen: Psalm 147:1,2 (,,Lof zij de HEER, goed is het leven’’)

Gebed voor de eredienst

Schriftlezing: Psalm 135

Zingen: Psalm135:1,2 (,,Looft de HERE, prijst zijn naam’’)

Tekstlezing: Psalm 135:5

Preek over Psalm 135:5

Zingen: Psalm 135:3,8,12 (,,Ja, ik weet: groot is de HEER’’)

Dienst van dankzegging en gebed

Apostolische geloofsbelijdenis

Zingen: GK-2006 Lied 162:1,4 (Ja, ‘k geloof en daarom zing ik’’)

Dienst van de offergaven

Zingen: GK-2006 Lied 163 (,,Ik bouw op U!’’)

Zegen



Preek over: Psalmen 135:5


Wilt u voorlezing van deze preek in uw gemeente even melden via contact@vanbruggenpreken.nl?
______________________________



IK WEET HET: GROOT IS DE HERE!

Psalm 135:5

,,Ik weet het: groot is de HEER,

Onze Heer overtreft alle goden.´´




*


[1]

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Vandaag luisteren we naar een lied: psalm 135. [2.1]

Deze psalm bevat een uitroep die ZEKERHEID en VERBONDENHEID uitstraalt. [2.2]

Hier is ZEKERHEID! Luister maar naar de toonhoogte ,,Ik wéét het: groot is de HERE´´. Zo wordt de toon gezet: de spreker weifelt niet, hij weet het zeker. En hij twijfelt ook niet: de HERE is voor hem niet een onzekere grootheid. Het staat voor hem of haar vast: ,,De HERE ís groot´´.

Deze zekerheid is niet een zekerheid naast vele andere overtuigingen. Integendeel: ,,onze HERE overtreft alle goden´´. De spreker hoeft niet verder om zich heen te kijken: hij of zij heeft de hoogste zekerheid gevonden in het thuis komen bij de hoogste God. Dit tilt hem uit boven alle andere machten.

Deze zekerheid is niet abstract of theoretisch. Zij wordt gekleurd door VERBONDENHEID. De spreker zegt niet dat ,,het bekend is´´ maar hij zegt heel persoonlijk ,,ik weet´´.

En voor hem of haar is God niet een algemeen gegeven, maar een persoonlijk Vader. Het gaat over ,,onze HERE´´. Er is een band met de Allerhoogste: bij Hem is de man of vrouw die dit uitroept, helemaal veilig en geborgen.

*


Nu is zekerheid niet het algemene kernmerk van onze tijd. Ook niet van de christenheid in onze jaren. Misschien ook wel niet van u zelf en van uw eigen hart.

Onzekerheid voert vandaag de boventoon. Twijfelen lijkt een hogere vorm van religieus kennen dan het vroegere eenvoudige geloven. Veel christenen weifelen wanneer het over God, verleden en toekomst gaat. Zij ontkennen niet met stelligheid de leer van de Schrift en het belijden van de Oude Kerk, maar zij kunnen die ook lang niet altijd van harte onderschrijven. Hoe zeker, of liever hoe onzeker, zijn de dingen immers in deze moderne tijd.

Die onzekerheid gaat gepaard met een gevoel van onverbondenheid en vrijblijvendheid. Wanneer God er is, is Hij nog niet ónze God. Eerder de verre, de ongrijpbare. Wie durft het aan, om te denken dat Hij zich zou vastleggen op mensen. God is er wellicht en de mensen zien wel naar Hem op, maar ze hebben toch het gevoel dat zij op aarde hun eigen weg moeten zoeken en voor eigen rekening leven in een menselijk avontuur dat niet rechtstreeks te verbinden valt met de Allerhoogste. Godservaringen zijn er wel, maar ze leiden niet tot stabiliteit en verbondenheid.

In de psalm horen we vandaag een uitroep van zekerheid en verbondenheid opklinken (,,Ik weet het: groot is de HERE, onze Heer overtreft alle goden´´), maar dat is lang niet altijd de typerende klank van de christenheid in onze dagen.

Maar daarvoor komen we dan ook in de kerk. We komen hier niet om er de echo te horen van onze eigen tijd en van onze eigen gevoelens. We komen hier om er de stem te beluisteren van een Ander. Om te leren. [2.3]

*

En dan leren we in psalm 135 hoe God het blijkbaar nodig vindt, dat je in de kerk zekerheid en verbondenheid als uitgangspunt van je leven krijgt. Dat moet je hier gaan léren.

De psalm is bedoeld voor óns. Het is niet zo dat de uitroep van vers 5 een individuele uitdrukking is die we kunnen aanhoren en die we verder voor rekening van de spreker of spreekster kunnen laten. Het gaat hier om een uitroep die ons meelokt en die ons tot voorbeeld is. Zó moet je in de kerk leren spreken.

Dat blijkt uit de hele opbouw van de psalm. Dit lied is een algemene oproep om God te loven en zijn naam lief te hebben. Zo begint het in vers 1: ,,Loof de naam van de HERE, loof Hem, dienaren van de HEER´´. En zo eindigt het ook weer in de verzen 19-21: ,,Geprezen zij de HEER op de Sion, Hij die zijn woning heeft in Jeruzalem. Halleluja´´.

Waarschijnlijk zijn het de Levieten die het volk in de tempel op deze wijze aansporen om de HERE te loven. Niemand mag achterblijven. In de verzen 19-20 worden alle groepen uitgenodigd om mee te doen: Huis van Israël, Huis van Aäron, Huis van Levi, prijs de HERE. Het is alsof de opperzangmeester de dirigeerstok opheft over het hele tempelplein en ze aanspoort: ,,En nu...allemaal´´.

Maar voordat ze allemaal kunnen zingen, moet ieder voor zich stemmen.

U weet dat dit gebeurt voordat het koor begint te zingen. Voordat de leider zijn dirigentenstok opheft, moeten de koorleden ieder voor zich de goede toonhoogte vinden. De dirigent gebruikt zijn stemvork en er wordt gestemd. Zanger voor zanger. Pas nadat ieder de goede stemhoogte heeft gevonden, kunnen ze allemaal samen in een grote koorzang het lied van de lof zingen.

Dit stemmen vind je in de verzen 5-12. In vers 5 wordt de algemene oproep om te loven plotseling beantwoord door één persoon. Hij of zij spreekt voor zichzelf: ,,IK weet´´. Niet ,,wij´´ of ,,heel Israël´´, maar IK! Die persoonlijke zekerheid en verbondenheid is vereist wanneer je mee wilt komen in het volk van God. Liturgie kan niet zonder persoonlijke belijdenis!

In onze christenheid is er nog vrij veel liturgie. Zang en ritueel, kerkelijke kleuren en vieringen vind je in allerlei soorten en maten en stijlen. En dat moet ook. Maar deze liturgie lijdt vaak bloedarmoede. Op het moment dat deze christenheid moet stemmen en de toonhoogte vinden, klinken de stemmen vaak aarzelend en wordt opeens niet meer een vaste en gelijke toon bereikt.

In de praktijk betekent dit dat het christenleven een zekere gespletenheid kan krijgen. Dat wordt ook binnen de eigen gemeenten gesignaleerd: dat mensen met plezier meedoen in de kerk, zich druk kunnen maken voor begeleiding en zang en toch gelijktijdig soms een heel ander en onchristelijk leven leiden. Het leven wordt dan heel tweeslachtig. Ouderen en jongeren combineren een kerkdienst en de liturgie van de liederen op de zondag met onzekerheid en werelds leven buiten de zondag.

We kunnen dit benaderen vanuit de norm en zeggen dat het slecht is. We kunnen het ook benaderen vanuit de religie en vragen: waar is de zekerheid en waarom raak je zo gauw weer ontstemd?

Wanneer dit zo blijft, zal immers op den duur de liturgie verkruimelen en ineenzakken. Waar de persoonlijke overtuiging taant, verstomt op den duur ook het lied. En het christelijke leven zal steeds meer gaan afbladderen. Daarom is het nuttig dat wij vandaag luisteren naar de klank van de stemvork van vers 5: spits je oor en probeer deze toon zuiver over te nemen!

[3]

IK WEET HET: GROOT IS DE HEER!

1. Ik leer het voor zijn troon

2. Ik belijd het met zijn volk

1. (Ik leer het voor zijn troon) [4]

De uitroep van vers 5 wordt niet ergens in de ruimte gehoord. Zij klinkt op in de voorhof van de tempel. Daar zijn we met deze psalm. Vers 2 laat het merken: ,,U die staat in het huis van de HERE, in de voorhoven van het huis van onze God´´. [5.1]

De tempel is de plaats waar je gedwongen wordt tot eerbied. Je mag er binnenkomen als Israëliet, maar je mag niet doorlopen. Je ziet het tempelhuis, maar de gordijnen zijn dicht. Het huis is gesloten. Hier woont God, maar jij moet op de stoep blijven staan: in de voorhof. [5.2]

Waarom? Is God niet te spreken voor jou? Houdt Hij zich afzijdig en ligt de mensheid op zijn stoep als de bedelaar Lazarus bij het huis van de rijke man?

Dit beslist niet. De mensen in de voorhof hebben juist een uitnodiging om te komen. Vers 4 zegt: ,,De HERE heeft Jakob uitgekozen, Israël als zijn kostbaar bezit´´. Je hebt een speciale uitnodiging gekregen: niet iedereen mag komen in de tempel van God. De heidenen blijven weg, maar de kinderen van Israël mogen naderen. Welkom bij de levende God! Wat een voorrecht!

Maar wanneer je dan in de voorhof staat, blijft de deur dicht. Toch zwijgt God niet. Hij maakt duidelijk dat je zondaar bent: je kunt zó als je bent niet doorlopen naar God die de Heilige is. Toch ben je genodigd. En er is verzoening voor je rond het altaar in de voorhof. [5.3]

Deze voorhof is geen wachtkamer maar een reinigingsplaats. Wie zich laat verzoenen, mag zich veilig voelen voor de poort van de tempel: God doet geen uitval. Integendeel: de HERE is liefelijk (vers 3). Hij zegent de verzoende gelovige en zijn aangezicht zal over hem of haar lichten wanneer hij of zij weer naar huis terugkeert. Je mag de tempel niet in, maar wanneer je er de offers brengt in geloof, heb je het licht van God in de rug wanneer je thuiskomt en het overstraalt je werk en je leven. Wanneer God met ons is, wie zou tegen ons zijn?

Zo is het vandaag nog. Wij zijn geroepen tot het koninkrijk van de hemelen, maar we staan nog steeds voor de poort. Christus ging de hemel binnen, maar voor ons is de deur dicht. Staan we dan in de kou hier beneden in de kerk? Nee, we horen hier het evangelie van verzoening door het bloed van Christus. En we worden niet weggebrand uit deze gemeente. En wanneer we naar huis gaan, hebben we het licht van de genade in de rug en het overstraalt ons werk en leven in deze boze wereld.

Wanneer je in die wereld zekerheid en verbondenheid wilt meedragen, dan moet je die leren in de voorhof. Hier in de kerk, onder het evangelie, worden we geplaatst voor de hoge en heilige troon van de Almachtige en Heilige God. We kunnen zijn aangezicht niet aanschouwen. Sterfelijk en gebrekkig staan we voor de hemelpoort. Maar dan klinkt van achter die deur de stem van de liefde: in Christus bent u mijn lieve zoon en dochter. Prijst de naam van uw Heiland.

Wanneer je hier met je hart onder het evangelie bent, dan leer je híer de goede toon, de toon van instemming, de juiste toonhoogte: ,,JA, ik weet dat de HERE groot is´´.

Veel mensen willen die zekerheid vinden door nadenken en door persoonlijk ervaren. Ze springen als een vis uit de kom en willen dan ademhalen, maar adem krijg je niet buiten de voorhof van het evangelie. De zekerheid van het geloof is niet een zekerheid die je uiteindelijk in de kerk bréngt, maar het is een zekerheid die je dáár juist moet vinden en leren.

Toch klagen velen dat dit niet gaat en dat ze de kerk uitkomen zoals ze er in gaan. Dat kan gebeuren. En het kan eraan liggen dat de prediking het evangelie niet meer laat horen of dat een gemeente overwoekerd is door hoogmoed en wereldgelijkvormigheid. Dan zullen we de betere voorhof moeten zoeken. Maar er kan ook een andere oorzaak zijn.

*

[6.1] In vers 2 worden de mensen aangesproken: ,,U die staat in het huis van de HERE´´. Deze staande houding wijst op aandacht, eerbied en meedoen met de dienst rond het altaar. Deze mensen hangen niet om in de voorhof, ze zitten er niet als ongeïnteresseerden met de rug tegen de buitenwand. Zij nemen actief deel aan wat er gebeurt.

Sommige mensen, ouderen en jongeren, komen in de kerk en bij de liturgie als consumenten, met een afwachtende houding en ook met een dosis kritiek bij voorbaat. Dan bén je er wel, maar je stáát niet in die voorhof. En God voedt zijn kinderen wel in zijn voorhof, maar Hij voedert ze niet zoals je eendjes voedert. Laten we er daarom goed op letten met welke houding we deelnemen aan de eredienst. [6.2]

Ik denk hier niet alleen aan de eredienst in de kerk, maar ook aan die in huis, in het gezin, en voor jezelf bij dagsluiting en stille tijd.

Wanneer je daar actief en verwachtend deelneemt, zul je bij verrassing meer ontvangen dan je verwacht.

Je ogen gaan dan open voor de wereld om je heen. [6.3]

Je hoort over God de Schepper en dan sper je je ogen open en werkelijk je gaat het zien en je roept het uit met de woorden van vers 6-7:

,,De HEER maakt alles wat Hij wil
in de hemel en op de aarde
en in de diepten van de oceanen.
Wolken wekt Hij aan de einder van de aarde,
bliksems maakt Hij en de regen valt,
de wind laat Hij los uit zijn schatkamers´´.


Wie ziet dat nu niet, die dingen die hier genoemd worden: onweer en regen, dauw op de aarde, dampen en mist, wind en storm. Iedereen ziet dat toch? De weerman en de kapper en iedereen praat erover. Maar wie ziet het eigenlijk écht? Wanneer je leert dat God de Schepper is, dan ga je overnieuw kijken. En dan zie je dezelfde dingen, maar met andere ogen. Dat voedt je zekerheid.

Het zou heel goed zijn wanneer wij wat vaker de dingen om ons heen in deze wereld weer noemden bij de naam van God. De HERE doet de zon opgaan in de morgen. De HERE verandert de windrichting zodat het afkoelt. De HERE doet de rivieren zwellen zodat de mens zich machteloos voelt.

God is dichterbij dan wij denken, maar wanneer wij verstoppertje spelen lijkt het net alsof Hij ver weg is.

Kom in de voorhof en hoor dat Hij zegt: ,,Ik de HERE heb dit alles geschapen´´. En werk dit uit, vul het in. Stem de toonhoogte van je spreken erop af. En opeens is de wereld dan vol van God. Ook de 21ste eeuw die zoveel praat over de dood van God en over Godsverduistering. Is God verduisterd? Zijn niet veel eerder onze tongen verstijfd en zijn wij niet stom geworden en zwijgzaam zodat we de toon niet meer vinden?

Wie in de voorhof staat en aandacht heeft, krijgt nog meer om over te spreken. [6.4]

In vers 3-4 wordt in algemene termen gesproken over Gods naam en zijn verkiezing, maar in de verzen 8-12 wordt dit door de gelovige solo-zanger(es) opeens in een aria uitgewerkt:

,,Hij trof de eerstgeborenen van Egypte,
van mens en van dier,
en deed wonderen en tekenen
• in je midden, Egypte –
voor de farao en al zijn dienaren.

Hij trof vele volken
en doodde machtige koningen:
Sichon, koning van de Amorieten,
en Og, koning van Basan,
en alle koningen van Kanaän.
Hun land gaf hij in bezit,
in bezit aan Israël, zijn volk.´´


Voor ons zijn dit nogal bekende klanken, maar voor de volken in de tijd van deze psalm waren Sihon en Og vergeten namen: wie wist daar nu nog iets van? En welke mensen in Tyrus of Sidon wisten iets over wonderen in Egypte onder een Farao van heel lang geleden? De wereld van die tijd was allang weer léég van de daden van de HERE: wisten zij veel!

Maar de gelovige solo-zanger(es) diept oude namen op uit de boeken van Mozes en hij of zij vult daarmee in dat de naam van de HERE groot is en almachtig.

Zo doe je dat. Niet in de lucht kijken, maar ophalen wat Jezus deed met Lazarus: dat geeft moed bij het sterven van een geliefde. De dood hoeft nog het einde niet te zijn!

En ophalen wat Petrus deed met de verlamde aan de poort van de tempel: zie je wel dat God niet machteloos is. Verkijk je niet op de verpleeghuizen en revalidatieklinieken: ze zijn bepaald niet de grenzen van Gods macht.

En vermeld hoe Jezus de blindgeborene genas. Hoe donker je leven ook blijft, maar God is machtiger. Op het moment dat Hij wil, verdwijnt de nacht.

Wie goed luistert naar de bijbel, heeft veel op te halen. En hij of zij krijgt ook veel om over te zingen. Je trekt je in het moeilijke heden op aan de lichtpunten die er waren en die blijven als sterren in de nacht.

Wie in de voorhof stáát, voor de troon van de sprekende God van de Schriften, gaat in een wereld leven die minder leeg is dan het leek. In onze christenheid kijken velen met dode ogen naar een wereld die leeg lijkt van God: hebben mensen en machten er niet het laatste woord? Maar waarom dit verwijt? Waarom zijn onze ogen zo dood? Is er dan niet veel te zien geweest? Geeft de herinnering geen moed en hoop? De wereld is nog vol duistere machten, maar wie niet meer weet te zeggen, is in de voorhof van God doof aan beide oren. Wie zijn bijbelse geschiedenis niet kent en gebruikt, is schuldig aan de leegstand van zijn levenshuis!

*

[7.1] Is dan het staan voor Gods troon, het eerbiedig leven onder het evangelie, een cursus die je vanzelf tot zekerheid en verbondenheid brengt?

Werk jij zelf aan jezelf? Nee, het is dan God die je tot erkenning brengt en die je een klank in de keel geeft. [7.2]

In vers 14 lezen we dat Hij zich over zijn dienaren ontfermt: niet wij zijn het die ons over de God van de bijbel ontfermen, maar het is de Vader van Jezus Christus die zich over ons ontfermt. Hij doet dit door zijn Geest in ons uit te storten zodat wij roepen ,,Abba, Vader!´´

Voor de troon staan is ook: eerbiedig zijn! Wachten op Hém, de Heilige! [7.3]

Hoe vaak wachten wij maar zittend af. Hoe weinig staat en knielt u voor de Hoogheilige met een bede dat Hij zich over u ontfermt en zijn zekerheid in u doet neerdalen? Maar zo vaak ons hart zich opheft naar de troon van de Heilige met een stille bede om open ogen en een goede stem, ontfermt Hij zich en Hij leert ons zeggen als een wonder van zijn liefde: ,,JA, ik weet dat de HERE groot is, dat onze HERE boven alle goden is´´.
Dát leer ik, wanneer ik eerbiedig kom te staan voor zijn troon!
[8]

2. (Ik belijd het met zijn volk)

En dit belijd ik met zijn volk. Dat is onze tweede gedachte. Dat ik samen met zijn volk belijd: ,,Ik weet het: groot is de HEER´´.

Psalm 135 laat namelijk zien hoe die persoonlijke zekerheid uit vers 5-12 een zekerheid is in de voorhof. Het is geen individuele binnenhuisgebeurtenis. Zij staat in verband met de gemeenschap der heiligen die bijeenkomt in de tempel, het huis van God. [9.1]

De zekerheid en verbondenheid worden wel solo uitgezongen in de verzen 5-12, maar deze solist staat voor een heel kóór en zingt daarmee samen. [9.2]

Luister maar naar de psalm als geheel.

Direct in de verzen 1-2 hoor je dat het koor bestaat uit dienaren van de HERE. Samen staan ze in de voorhoven van het huis van onze God.

En in dit koor heb je alten en sopranen, bassen en tenoren. Dat zie je in de verzen 19-20. Er zijn verschillende groepen zangers, zowel het huis van Israël als het huis van Aäron, zowel het huis van Levi als allen die van elders zijn gekomen om met Israël de HERE te vrezen.

Zo bestaat ook de latere nieuwtestamentische kerk uit allerlei tongen en talen, rassen en soorten, gaven, vruchten en ambten.

Voor ons is dat bonte volk, dat kerkkoor, vaak te min. Vooral in onze tijd, waarin mensen hun eigen leven willen inrichten naar hun eigen keuzes, zijn er vele christenen die weinig moeten hebben van een collectief als de gemeente. Het christen-zijn lijkt veel hoger en waardevoller dan het horen bij een gemeente. Mensen gaan liever naar een incidentele opwekkingsbijeenkomst of naar een eenmalige conferentie dan dat ze regelmatig wekelijks de erediensten van een plaatselijke gemeente bezoeken.

Toch kun je niet in je eentje of in een los verband groeien. [9.3]

Je kunt niet alleen leven op een onbewoond eiland en je kunt ook niet teren op gastbezoeken. Je kunt alleen maar regelmatig meegroeien in de godsdienst met de rest van het gezin van God. God is geen visser met een hengel die zo nu en dan een geïsoleerde vis ophaalt, Hij is een visser met een sleepnet waarin Hij ons vangt. We lezen in vers 13: ,,Van U, HEER, zal men spreken van geslacht op geslacht´´. God werkt in scholen, in generaties.

Daarom zijn die gemeenschapsbanden zo onmisbaar. God gebruikt die. Hij gebruikt ook de band met je ouders en grootouders. [10]

Voor velen is dat na je achttiende jaar een wegwerp-artikel: een bekisting voor je eigen individualiteit. Wanneer dat je houding is, kun je je eigen geloofszekerheid schade toebrengen. We zouden eens wat meer bedacht moeten zijn op de verbanden en samenhangen die er kunnen zijn tussen het met de rug naar je ouders leven en groeiende geloofsonzekerheid. Nee, ouders geven je die zekerheid niet terug, maar God is wel een God die van ons vraagt niet hoogmoedig te wezen: Hij wil ons behouden als kind van die vader en moeder en van die en die grootouders. Meer zijn we ook niet dan een schakel in de generaties. Er is voor ons een plaatsje opengehouden in de kerk van de vaderen en de grootmoeders!

Veel ouders kunnen van hun kant de jongeren hierbij in de weg staan. Dat kan door een los leven, door echtscheiding, en door een te vroeg afstoten van kinderen. Daardoor kunnen ouderen Gods ontferming verduisteren in het leven van hun kinderen. Wanneer er zorgen zijn over de geloofsoverdracht naar een volgend geslacht, is er daarom ook altijd alle reden tot zelfonderzoek voor de oudere generatie: is ons leven als ouders en als ouderen wel eerlijk en open en is het oprecht gericht op het doorgeven van de naam van de HERE en merkt het volgend geslacht dit ook? Ontbrekende geloofszekerheid dwingt ons tot zelfonderzoek. Is er in de gezinnen en in de kerkgemeenschap wel een goede sfeer van loven en vertrouwen, van bezieling en overdracht? Kinderen moeten groeien in de moederschoot van de kerk.

Er is daarvoor alle reden en mogelijkheid. God gebruikt wel de geslachten, maar Hij is het zelf die blijft tot in eeuwigheid. Wanneer een generatie afboog en verstek liet gaan, is er altijd de blijvende en eeuwige God die onze jeugd kan vernieuwen als een arend. Tijden buigen weg, maar Hij blijft bereikbaar. Ook morgen.

En Hij is de machtige die leeft en levend maakt. Dat kun je niet zeggen van de vele invloedrijke machten in deze tijd. Ook onze eeuw heeft zijn afgoden: je eigen ontwikkeling, een goed uiterlijk, een prima vriendenkring, een vrijheid van leven. Maar van deze afgoden geldt dat zij het werk van mensenhanden en mensengedachten zijn (vers 15-18). Zij hebben een mond maar spreken niet, ze hebben ogen maar zien niet. Mensen kunnen de moderne waarden en idealen wel naar de mond praten en naar de ogen zien, maar deze mond spreekt niet terug en deze ogen zijn dood. Wie op hen vertrouwt, is uitzichtloos.

*

Wees daarom nederig genoeg om voor de troon van de heilige God en temidden van je familie en gemeente je te laten oproepen tot het loven van God. Dan krijg je zelf grond onder de voeten. En je gaat het mee zeggen met je eigen woorden: JA, ik weet.....! [11]

Je leert solist te worden mét het koor om je heen. En deze zekerheid heeft toekomst omdat ze ons verbindt met de levende God. Hij is in Christus onze Vader voor nu en voor altijd. Zo groot is onze God. Ik wéét het: Halleluja!

AMEN [13]



- Terug naar menu