- Download preek als PDF bestand    (Klik hier voor grote letter)
 - Download liturgie als PDF bestand
 - Download PowerPoint presentatie
 
- Terug naar menu


Tips voor de (voor)lezer.

Deze preek kan opgevat worden als de eerste van een drieluik, samen met Marcus 16:15-16 en 16:17-20.

ALGEMEEN
1. Lees als preeklezer vooraf het menu Informatie over Contact, Tekstkeuze e.a.

2. De cijfers tussen [ ] in de tekst, zijn alleen van belang wanneer men gebruik maakt van beamer-ondersteuning. Lees in dat geval als verzorger van de beamer vooraf in het menu Informatie : ,,De powerpoint presentatie''.


Liturgie.

Morgendienst

Votum, zegengroet, amen.
Zingen: Psalm 92:1,2 (Een sabbatspsalm)
De Tien Woorden
Zingen: Psalm 92:3,7 (Gezegend wie gelooft!)
Gebed voor de eredienst
Schriftlezing: Marcus 16:9-20
Zingen: Psalm 18:1,9,15 (De grootheid van Gods werken)
Tekstlezing: Marcus 16:9-14
Preek over Marcus 16:9-14
Zingen: Psalm 30:1,6,7 (U hebt mijn rouwklacht en geschrei veranderd in een blijde rei)
Dienst van dankzegging en gebed
Dienst van de offergaven
Zingen: GK-2006 Lied 79:1,5 (De Heer gedenken als zijn onderdaan)
Zegen


Middagdienst

Votum, zegengroet, amen.
Zingen: Psalm 93 (Onwankelbaar is Gods bewind!)
Gebed voor de eredienst
Schriftlezing: Marcus 16:9-20
Zingen: Psalm 18:1,9,15 (De grootheid van Gods werken)
Tekstlezing: Marcus 16:9-14
Preek over Marcus 16:9-14
Zingen: Psalm 30:1,6,7 (U hebt mijn rouwklacht en geschrei veranderd in een blijde rei)
Dienst van dankzegging en gebed
Apostolische geloofsbelijdenis
Zingen: GK-2006 Lied 141:3
Dienst van de offergaven
Zingen: GK-2006 Lied 79:1,5 (De Heer gedenken als zijn onderdaan)
Zegen

Preek over: Marcus 16:09-14

Wilt u voorlezing van deze preek in uw gemeente even melden via contact@vanbruggenpreken.nl?
______________________________
Tip voor preeklezers: zie laatste pagina



GELOVEN IS NORMAAL IN DEZE WERELD
Marcus 16:9-14: ,,Hij verweet hun hun ongeloof┬┤┬┤

*

[1]


Geliefde gemeente van onze Heiland,

In de tekst voor deze dienst horen wij een merkwaardig verwijt. Jezus komt na zijn opstanding bij de elf en gaat hun verwijten, dat zij ├│ngelovig zijn.

Wij zelf zullen van ongeloof niet zo gauw een verwijt maken. Natuurlijk proberen we de mensen om ons heen te bewegen tot geloof. Wij spreken met hen over de rijkdom daarvan. Ook kunnen we aandacht geven aan de armoede en de leegheid van het ongeloof. Maar de ongelovige zal uit onze mond niet gauw een verwijt horen. [2.1]

Is het niet zo, dat dit ook niet eens k├ín? Je kunt mensen hun ongeloof toch niet kwalijk nemen? Ze doen het er immers niet om! Ze geloven nu eenmaal niet. En geloof moet je toch ook gegeven worden! Zo lijkt het ons meer voor de hand te liggen, het ongeloof met het evangelie te bel├ęgeren, dan het kortweg in gebreke te stellen door verwijten.

Neem nu de elf na Pasen. Dat zijn toch geen kwaadwillende mensen. Zij wilden van harte in God geloven. Zij geloofden ook in Jezus, Gods zoon. Maar dan komt het kruis en het sterven. En daarbij storten ze in. Hun liefde voor Jezus maakt ze na zijn dood ontroostbaar. En het bericht over zijn opstanding wil er bij hen niet in. Dat is natuurlijk jammer. Maar is het zo vreemd? Het is een zwakheid, maar gaat het niet wat ver daar een verwijt van te maken? [2.2]

Jezus praat in onze tekst over het geloof alsof het vanzelf spreekt en heel normaal is, zodat het de elf valt kwalijk te nemen, dat ze ongelovig bleven bij de berichten over zijn opstanding.

Deze vanzelfsprekende toon klinkt niet alleen in het verwijt, maar ook in de daarna volgende opdracht: de leerlingen moeten overal gaan prediken en de mensen zullen het maar moeten geloven op hun woord, willen ze niet veroordeeld worden. [2.3]

Zelfs in zijn belofte bij deze opdracht beschouwt Christus het geloof als vanzelfsprekend: de gelovigen zullen gevolgd worden door allerlei wonderen en tekenen. Alsof het dit geloof in de wereld altijd voor de wind zal gaan, zodat gifdrank of slangen niet deren. En zieken zal men genezen! Jezus spreekt hier zo vanzelfsprekend over het geloof. Zo anders dan wij, zeker in d├ęze tijd, gewend zijn.

Toch spreekt onze Heiland in zijn verwijt heel krachtig. Hij leert ons niet slechts tevreden te zijn met het geloof. Hij leert ons, dat dit geloof de enige echt normale zaak in deze wereld is. En dat het een kwalijke zaak is, wanneer mensen in ongeloof blijven steken. Ook bemoedigt Hij ons over de effecten van het geloof: grote gevolgen zijn te verwachten wanneer het evangelie wordt aanvaard.

In deze dienst overwegen wij het verwijtend woord van onze Heiland aan het adres van zijn leerlingen na Pasen. De preek is alsvolgt kort samen te vatten:
[3]

GELOVEN IS NORMAAL IN DEZE WERELD

1. Ongeloof heeft geen excuus
2. Halsstarrigheid blokkeert
3. Geloven geneest


[4]
1. (Ongeloof heeft geen excuus)

De tekst voor deze dienst brengt ons binnen bij de elf na Pasen. Zij liggen aan en zijn dus aan het eten. Op dat moment verschijnt Jezus aan hen. [5.1]

Was het de eerste keer na zijn opstanding, dat Hij bij deze mensen kwam? Op het eerste gezicht zouden we dat kunnen denken. Marcus vertelt ons achtereenvolgens over een verschijning aan Maria van Magdala, aan twee van de leerlingen en aan de elf. Het lijkt een opeenvolgende reeks gebeurtenissen. Maar deze evangelist geeft geen volledige opsomming van de feiten. Hij maakt daaruit een selectie. En er is reden, om bij vers 14 te denken aan een latere verschijning, op een andere dag dan die aan Maria en aan de twee leerlingen (verzen 9-13).
De leerlingen zijn namelijk met z┬┤n elven (vers 14). Dat waren ze nog niet op de avond van de eerste dag: toen ontbrak Tomas. Pas op de achtste dag zijn ze als elf overgebleven apostelen compleet.

Uit Johannes 20 weten we, dat de Meester dan met Tomas spreekt over de noodzaak van het geloven zonder te zien. Dat is ook het thema van de ontmoeting in Marcus 16.

Bovendien lezen we, dat de elf rustig aanliggen aan de maaltijd: de atmosfeer is anders dan op de eerste dag van onrust en verdriet.

Wanneer Marcus dan ook zegt, dat Jezus ,,later┬┤┬┤ of ,,tenslotte┬┤┬┤ verscheen aan de elf, zullen we moeten denken aan de verschijning op de achtste dag. Hij kwam niet voor het eerst. Ze wisten al, dat Hij was opgestaan, ook al twijfelde Tomas. En nu ze het weten, komt Jezus bij hen terug. Hij houdt met hen een nabeschouwing over hun aanvankelijk ongeloof. Hij doet daar niet het zwijgen toe. [5.2]

Bij die gelegenheid ,,verweet Hij hun hun ongeloof en halsstarrigheid of hardheid van hart┬┤┬┤. Waarom doet Hij dat? ,,Omdat zij geen geloof hadden geschonken aan degenen die Hem hadden gezien nadat Hij uit de dood was opgewekt┬┤┬┤ (16:14).

Dit verwijt is opvallend. We hebben hier immers niet te maken met mensen die weigeren in Jezus te geloven. Het is zelfs zo, dat zij Hem bij zijn verschijning onmiddellijk weer gingen aanvaarden. Tomas zegt zelfs: ,,Mijn Here en mijn God!┬┤┬┤ Dan is het toch goed! De elf zijn terecht gekomen. Ze zijn ook weer samen. En ze vormen opnieuw de tafelgemeenschap van Christus. Hier lijkt niet veel te verwijten: het zijn mensen die bijna direct weer vol geloof bijeen zijn na Pasen.

Wij doen dan maar graag het zwijgen tot het verleden: niet meer over praten! In gezin en kerk zijn we vaak ook al lang blij wanneer alles weer rustig is. Rakel het zwakke of slechte verleden nu maar niet weer op! En wij vergeten dan dat een christen juist kan leren van zijn fouten en zonden. Dat we zonden niet moeten begraven maar belijden.

Daarom is er op deze achtste dag nu het allemaal weer goed is, toch ook een verwijt. Niet over wat hun ontbreekt, maar over wat hun heeft ontbroken. Zij zijn niet bereid geweest, de ooggetuigen van de opstanding op hun woord te geloven. Dit valt niet weg nu zij inmiddels door Jezus┬┤ verschijning tot dat geloof kwamen. Die verschijning klaagt hen eigenlijk aan: het had niet nodig moeten zijn!! Ze moeten zich schamen over het feit, dat Jezus er zelf aan te pas moest komen. Ze hadden toch al genoeg in het woord van de ooggetuigen! En ze moeten leren van hun ongeloof opdat ze er later niet weer in terugvallen! [5.3]

Ik weet niet of wij dit verwijt wel zo overtuigend vinden. Zijn we niet geneigd om te zeggen: ,,Ze konden toch niet zonder meer geloven op grond van horen zeggen? Er wordt zoveel gezegd: je hoeft toch niet alles te geloven wat een ander zegt? Je mag toch best jezelf willen overtuigen? En je eigen zekerheid zoeken? Wat voor kwaads is daarvan te zeggen, dat mensen niet afgaan op horen zeggen, maar zekerheid willen voordat ze geloven?┬┤┬┤ Zo denken wij al gauw en we vergoelijken wat er gebeurd is.

Toch moeten we hier wel even halt houden. Is het werkelijk waar, dat wij weinig waarde hechten aan wat we niet zelf hebben gezien? Wanneer de radionieuwsdienst ons vertelt over een vliegtuigkaping of over een verkeersongeluk, geloven we het dan pas nadat we er naar toe zijn gereisd? Wanneer het afdelingshoofd ons vertelt, dat een collega ziek is, geloven we het dan pas nadat we aan zijn ziekbed hebben gestaan? Wanneer u daar eens nuchter over nadenkt, zult u ontdekken, dat wij elke dag honderdduizenden dingen aannemen en geloven omdat het gezegd wordt. Dát is het probleem niet.

En daarom is het niet zo vanzelfsprekend, dat de elf niet geloofden wat mensen kwamen vertellen over de opstanding van Jezus. Wanneer die mensen het zelf hebben gezien, is het toch voldoende?

Of waren er redenen waarom hun bericht misschien wel ongeloofwaardig moest zijn in het oog van de elf? Als regel geloven wij wat ons als nieuws wordt verteld door medemensen. Er kan echter aanleiding zijn, dit geloof op te schorten. Bijvoorbeeld wanneer de krant waarin we iets lezen, een uitgesproken roddelblad is of een sensatiekrant. Of ook wanneer ons iets wordt verteld, wat ons onmogelijk lijkt. Wij stappen dan af van onze normale houding, omdat we de getuigen niet vertrouwen of omdat we de berichten ongeloofwaardig achten.

Was daar misschien aanleiding voor in het geval van de elf? Het antwoord moet zijn: nee, helemaal niet. Let u maar eens op de getuigen en op hun berichten. Marcus heeft er twee uitgeselecteerd.

Eerst Maria van Magdala. Zij is niet zomaar een vrouw. Marcus vermeldt in vers 9, dat de Here uit haar zeven demonen had verdreven. Zij was dus in ernstige mate bezet geweest door de boze geesten. Jezus heeft deze zware bezetting verdreven. Zo werd Maria van Magdala een bijzondere krijgstrofee van de Heiland. Zij werd het levend bewijs van zijn overmacht over de duistere machten. Haar genezing hebben de apostelen meegemaakt: ze werden gewaar hoe machtig Jezus is!

En juist d├ęze vrouw komt nu vertellen, dat Hij is opgestaan. De Meester stuurt het bewijs van zijn macht over de duisternis en uit h├í├ír mond hoort men, dat Hij ook over de dood heeft getriumfeerd. Juist deze bode maakt het bericht geloofwaardig. De boodschapster is zelf een herinnering aan de Majesteit van de Meester. Hij heeft niet zomaar iemand als eerste bode uitgekozen. Hij legt door deze bode verband tussen zijn werk in Galilea, in Magdala aan de oever van het meer, en zijn werk op Golgota, voor de muren van Jeruzalem. Wie Maria┬┤s bericht naast zich neerlegt, is op dat moment ook koud en ongevoelig geworden voor de reeds bekende en geziene feiten van Jezus┬┤ goddelijke majesteit. [5.4]

Bij deze ene getuige liet Jezus het echter niet. Hij verscheen ook aan twee leerlingen, toen ze buiten de stad aan het wandelen waren. Vaak stelt men deze twee gelijk met de Emma├╝sgangers, maar dat kan niet juist zijn.

De Emma├╝sgangers reizen doelgericht van de stad af naar een dorp. Maar deze twee leerlingen maken zomaar een ommetje in de buurt van Jeruzalem.

Wanneer de Emma├╝sgangers in Jeruzalem terugkomen, zijn de anderen al tot geloof in de opstanding gekomen, maar deze twee leerlingen uit Marcus 16 vinden nog helemaal geen gehoor voor hun bericht.

En dan verscheen Jezus de Emma├╝sgangers incognito: Hij werd niet herkend. Maar aan deze twee leerlingen in Marcus 16 verschijnt Jezus in een andere gedaante. Door hen wordt Hij wel herkend, maar wat hen opvalt is dat Hij een verandering heeft ondergaan, een metamorfose. [5.5]

De grote zeggingskracht van deze ,,andere gedaante┬┤┬┤ dreigt ons te ontgaan, wanneer wij het evangelie niet als geheel lezen. In Marcus is namelijk al ├ę├ęnmaal eerder verteld over een gedaanteverandering van Jezus. Dat was bij de verheerlijking op de berg (9:29-32). Toen werd het aanzien van zijn gelaat anders en zijn kleding werd stralend wit. Petrus en Johannes en Jakobus hebben deze heerlijkheid mogen zien, toen Mozes en Elia met Hem spraken. Het is indrukwekkend geweest. Niet aards. Jezus behoorde op dat moment zichtbaar tot de hemel: heerlijk als de hemelingen en niet verduisterd als vernederde mensen. Een stem uit de hemel klonk toen: ,,Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde. Luister naar Hem!┬┤┬┤ Bij de afdaling van de berg gebood Jezus zijn drie leerlingen, over deze gedaanteverandering te zwijgen tot na zijn opstanding (Matte├╝s 17:9). Zij hebben dit ook gedaan (Marcus 9:36).

De Here had dus van tevoren al gezegd, dat de drie leerlingen ná zijn opstanding mochten spreken over deze gedaanteverandering. Maar helaas denken de drie leerlingen, Petrus, Johannes en Jakobus, daar op Pasen helemaal niet aan terug. Op het moment echter dat dan na Pasen twee andere leerlingen binnenkomen met het bericht over een verschijning in een andere gedaante, had bij Petrus en Johannes en Jakobus een belletje moeten gaan rinkelen. Een belletje van herinnering. En ze hadden moeten zeggen: ,,Nu weten wij het. Wij herinneren ons zoiets van de berg der verheerlijking; daar was Hij ook in andere gedaante en nú mogen wij daarover vertellen!!´´ Het bericht van de twee had een waarmerk van echtheid in zich en het had wel geloof móeten oproepen.

Zo blijkt, dat er geen enkele reden was waarom de elf weinig of geen vertrouwen zouden hebben in wat gezegd werd over verschijningen. Integendeel: zowel de boden als de boodschappen zagen er z├│ geloofwaardig uit, dat het normaal zou zijn geweest, nu te geloven wat werd gezegd! Hun ongeloof had geen excuus!

[6]
2. (Halsstarrigheid blokkeert)

Waarom bleef nu eigenlijk het geloof eerst uit bij de leerlingen? De Here geeft zelf het antwoord: er was hardnekkigheid of halsstarrigheid bij de leerlingen. Zij wilden niet aanvaarden, dat Jezus┬┤ kruisweg de door God bedoelde weg was. Vanaf Caesarea Filippi hebben zij zich verzet: ,,Dat verhoede God!┬┤┬┤ Ze dachten beter dan Jezus te weten wat goed is voor de wereld. [7.1]

En tot het laatst toe zijn ze halsstarrig gebleven. In Getseman├ę willen ze vechten om met elkaar er uit te komen. Wanneer Jezus dan opnieuw het lijden als program handhaaft, vluchten zij. Zij willen daar niet van weten. Volgens hen ziet Hij het verkeerd.

Daarom weten ze op Pasen ook niets anders te doen dan te rouwen en te wenen om de dwaasheid van de Meester waaraan Hij nu te gronde ging (16:10). Dit is hun hardnekkigheid. En die staat ze in de weg. Daardoor zijn ze geblokkeerd, wanneer zeer geloofwaardige mensen met gewaarmerkte berichten binnenkomen. Hun probleem is niet, dat ze niets ,,van horen zeggen┬┤┬┤ willen hebben in dit leven. Hun probleem is, dat ze voor gezonde en normale berichtgeving zijn afgesloten door hun eigenwijze visie op wat het beste was geweest voor deze wereld. Zij wisten het beter dan God. God zou het moeten doen op hun manier. En wanneer je eigenwijs bent, kun je doof worden. Doof voor wat duidelijk klinkt en geloof verdient.

Daarom is er het verwijt over het ongeloof. Het is geen zwakte of onvermogen, maar het is ten diepste onwil. Wanneer de elf ja hadden gezegd tegen wat de getuigen van de opstanding kwamen berichten, hadden ze ook ja moeten zeggen tegen Jezus´ kruis en tegen hun eigen zondaar-zijn en tegen hun redding door genade alleen. En dat willen ze nog niet. Dáárom verschuilen ze zich voor de getuigenverklaringen. Dat is een abnormaal gedrag en de Meester verwijt het hun. [7.2]

Dit verwijt is uit Petrus┬┤ mond ook opgetekend. Wij mogen meeluisteren. Waarom? Om de elf hard te vallen? Nee, om er van te leren. De weigering om te geloven is voor God ten diepste een handhaving van onszelf, en het vasthouden aan onze visie op wat God zou moeten doen. Dan hoor je de mensen zeggen: ,,Waarom heeft God niet anders gehandeld of waarom handelt Hij niet anders in deze tijd?┬┤┬┤ of: ,,Ik kan niet geloven in een God, die mensen veroordeelt┬┤┬┤ of: ,,Waarom zou God zich binden aan het evangelie van de christenen?┬┤┬┤ Achter al dergelijke uitspraken steekt de hardnekkigheid van de eigenwijze. Ongeloof is meer dan het passief ontbreken van geloof: het is de actieve verwerping van de waarheid.

Ook voor ons geldt immers, dat honderdduizenden mensen getuige zijn geweest van Jezus┬┤ majesteit en goddelijke daden. In de tijd van het Nieuwe Testament hebben de Joden zijn optreden niet kunnen loochenen. Men heeft wel geprobeerd een leugen over zijn opstanding te verbreiden, maar men heeft nooit de grote wonderen en tekenen kunnen ontkennen, die Hij in Isra├źl heeft gedaan. Maria van Magdala liep als ex-bezetene op straat rond. En de feiten van Jezus┬┤ optreden verdienen een plaats in onze geschiedenisboeken. Het bericht over de opstanding komt niet uit de lucht vallen. Het ligt in het verlengde van demonenuitdrijving en doden-opwekkingen. In die tijd was bijbelkritiek nog niet mogelijk: de feiten van genezing en dodenopwekking liepen je voor de voeten!

Men zegt wel eens: ,,Niemand is er bij geweest, toen Jezus opstond┬┤┬┤. Dat is ook zo. Maar waarom zeggen we er niet iets bij? Toen de jongen van de weduwe te Na├»n werd opgewekt, stonden er velen bij. En toen Lazarus was opgewekt, kwamen ze met stromen naar Betani├ź om hem te zien. [7.3]

Het is gebeurd op onze straten. Waarom gelooft men wel het nieuws over Alexander de Grote en over Napoleon en niet dat over Jezus? Omdat de bronnen zwakker zijn? De getuigenissen voor Jezus┬┤ daden zijn veel sterker dan die voor de werken van Alexander of Napoleon. Het is abnormaal, dat mensen de levens van Boeddha en Mohammed aanvaarden en die van Jezus met vraagtekens omringen. Dat heeft niets te maken met niet kunnen geloven van horen zeggen, maar het heeft alles te maken met onze natuurlijke hardnekkigheid en onwil.

Intuïtief weet de mens, dat het voor waar aannemen van dit verhaal over Jezus gaat betekenen, dat wij ons moeten buigen. Dat wij onze harde nek gaan buigen voor God en zijn zoon Jezus Christus. En knielen voor de feiten van kribbe, kruis, graf en hemelvaart.

Het is in deze schepping normaal, dit te doen. De feiten zijn bekend. De betekenis is duidelijk. Daarom verwijt God ons alle ongeloof als hardnekkigheid en eigenwijsheid. En ook wanneer wij inmiddels tot geloof zijn gebracht, zoals de elf, zullen wij nog moeten buigen voor dit verwijt. Het legt ons hart bloot, opdat we ons schamen en verwonderd zijn over Gods genade.

[8]
3. (Geloven geneest)

Het verwijt van de Heiland is niet bedoeld om de leerlingen in de put te praten. Het is een verwijt achteraf om hen wijs te maken voor de toekomst.

Wanneer we de zwakte van ons ongeloof leren zien, worden we bescheidener. En gelijktijdig groeit onze verwachting van de Here.

We ontdekken dat geloofsovergave geneest. Geloven in wat God deed voor het oog van vele getuigen geneest ons van onze natuurlijke eigenwijsheid en hardnekkigheid en halsstarrigheid. [9.1]

Dat moeten de leerlingen ter harte nemen voordat zij geschikt zijn om anderen nu het evangelie te gaan brengen. [9.2]

En ook wij moeten ons er in oefenen. Geloven is zo normaal in deze schepping. We mogen er onbevangen over spreken. Met overtuiging en zonder schaamte. De apostel Paulus zegt ook tegen de bewoners van de hoofdstad Rome dat hij zich ,,niet schaamt voor het evangelie┬┤┬┤. Je hoeft er niet mee in een hoekje te kruipen. Waarom zou je? Gods werken konden het daglicht verdragen en ze gebeurden ook in aanwezigheid van zovelen die er getuigen van waren. We mogen ons laten genezen door kinderlijk geloof dat alle twijfel uitbant. Omdat we leren inzien dat twijfel heel vaak ook halsstarrigheid is. Dan willen wij God de maat nemen. Terwijl Hij juist zijn Zoon deed opstaan opdat wij ons leren verwonderen over de maat van het hemelrijk. [9.3]

Op de paasmorgen was er bij de leerlingen eerst ,,rouwklacht en geschrei┬┤┬┤. Jezus veranderde dat in ,,blijde rei┬┤┬┤. ,,Een vreugdekleed deed Hij hen aan┬┤┬┤. Hij vervulde de belofte van psalm 30. Maar daar gaat iets aan vooraf. Daaraan gaat vooraf het loslaten van de eigenwijsheid en de halsstarrigheid die ons nog zo vaak in de weg staan. Laten we die doorbreken met de bede die in psalm 30 voorafgaat aan het vreugdekleed. Dat is de bede van verootmoediging over die halsstarrigheid:

,,Ik zoek uw aangezicht, o Heer,
schenk mij uw trouw en liefde weer.
Toon mij uw gunst en wees weldadig,
Kom mij te hulp, hoor mij genadig!┬┤┬┤


De poort naar de paasvreugde is een poort waardoor je bukkend ingaat. Die ootmoed geneest en geeft ons in het hart de jubel over de Opgestane, een troost in leven en sterven!

AMEN [10]

Deze preek kan opgevat worden als de eerste van een drieluik, samen met Marcus 16:15-16 en 16:17-20.

- Terug naar menu