- Download preek als PDF bestand    (Klik hier voor grote letter)
 - Download liturgie als PDF bestand
 - Download PowerPoint presentatie
 
- Terug naar menu


Tips voor de (voor)lezer.

ALGEMEEN
1. Lees als preeklezer vooraf het menu Informatie over Contact, Tekstkeuze e.a.

2. De cijfers tussen [ ] in de tekst, zijn alleen van belang wanneer men gebruik maakt van beamer-ondersteuning. Lees in dat geval als verzorger van de beamer vooraf in het menu Informatie : ,,De powerpoint presentatie’’.


Liturgie.

Morgen- of middagdienst

Tussen [] staan de elementen genoemd die alleen voor de morgen (vm) of alleen voor de middag (nm) van toepassing zijn.



Votum, Zegengroet, Amen
Zingen: Psalm 100:1,2 (Juich, alle volken, prijs de HEER!)
[vm] Wet van de HERE
[vm] Zingen: Psalm 145:1 (Van dag tot dag zal ik U eer bewijzen)
Gebed voor de eredienst
Schriftlezing: Psalm 150
Zingen: Psalm 100:3,4 (Gaat zingend door zijn tempelpoort)
Preek over Psalm 150
Zingen: GK 139:1,2 (Wij loven U, o God, wij prijzen uwe naam)
Dienst van de gebeden
[nm] Geloofsbelijdenis
[nm] Zingen: Psalm 145:1 (Van dag tot dag zal ik U eer bewijzen)
Collecte
Zingen: GK 107:1,4 (Halleluja, halleluja, lof zij U, der heren Heer)
Zegen, Amen.



Preek over: Psalmen 150

Wilt u voorlezing van deze preek in uw gemeente even melden via contact@vanbruggenpreken.nl?
______________________________



Geliefde gemeente van onze Here Jezus Christus, [1]

Ons psalmboek eindigt met een lied dat je in Ă©Ă©n woord kunt samenvatten: Halleluja! Die uitroep Hallelu-Ja betekent: roem de HERE. Met deze oproep opent en sluit het lied. En deze aansporing echoot door alle regels ervan: Loof God!

(Loof de HERE) [2]

Het woord ´loven´, komt dertien maal voor in dit korte lied. Elf maal is het vertaald. Twee keer bleef het onvertaald in het Halleluja! Het betekent: ´aanprijzen, hoog van iemand opgeven´. Zo lezen we in de bijbel dat de vorsten van Farao hoog bij hem opgeven van de schoonheid van Abrams vrouw Sara (Genesis 12:15). Lof heeft concrete inhoud. Het gaat over iets of iemand. Over wat de moeite waard is.

In de bijbel is ´loven´ dus niet een vage term die gereser¬veerd is voor godsdienstige extase. Loven heeft niets te maken met religieuze roes en opwinding. Wie looft, weet waar hij over praat. Hij heeft veel goeds te zeggen: zinnige taal.

Psalm 150 roept ons op om goede dingen van de HERE te zeggen en hoog van Hem op te geven.
De mensenwereld heeft in alle tijden wel personen waar men prat op gaat. Een sportheld of een bondscoach. Een virtuoze musicus of een populaire filmster. Maar deze lof op mensen verstomt met de tijd. De sport¬held wordt vergeten. De roem van de musicus blijft tot een bepaalde periode beperkt. En een geniale politicus wordt straks overschaduwd door wie na hem komt.

Door al de eeuwen van onze geschiedenis heen is er echter één lofprijzing die niet hoeft te verstillen en die niet ver¬jaart: de lof van de HERE. Hij zelf blijft. Hij blijft dezelfde. Hij blijft daarom de Heer om steeds weer hoog van op te geven. Met het roemen van God komt een mensheid niet klaar. En tot dit prijzen van God worden wij nu in psalm 150 allemaal opgeroepen. Deze oproep kent geen beperkingen.

(Loof Hem allemaal) [3]

´Loof Hem met de bazuin´, zo lezen we. En hier kunnen we misschien nog alleen denken aan de priesters die de bazuinen in Israël bliezen. Maar dan volgt de oproep: `Loof Hem met harp en citer´. En dan moeten we min¬stens ook denken aan de levieten die deze instrumenten in het tempelorkest bespeelden.

Aan hen alleen te denken, is uitgesloten. Er volgt: `Loof Hem met tamboerijn en reidans´. Daarbij zien we de vrolijke reidans voor ons van vrouwen in een Israëlitisch dorpje.

Nog ruimer wordt de kring als we daarna lezen: `Loof Hem met snarenspel en fluit, met klinkende cimbalen en schallende cimbalen´. Nu zien we allerlei mensen voor ons: herders op het veld, musici aan het hof, jongens en meisjes op het marktplein en buren op een bruiloft.

Maar laten wij niet denken dat de oproep alleen bestemd is voor mensen die houden van spelen en muziek. God beveelt zijn lof niet alleen aan mensen die de romantiek in het hart dragen, maar aan allen die adem in hun neus van God ontvingen. De laatste op¬roep van de psalm is immers:`Al wat adem heeft, moet de HERE prijzen´. Joden en Grieken, blank en zwart, ge-leerd en eenvoudig, mensen uit de middeleeuwen en mensen van de 21e eeuw, muzikaal aangelegd of niet. Al wat adem heeft!

Deze oproep vormt het slot van een psalmboek waarin vele stemmen hebben geklonken. De stemmen van lijdende mensen. Klachten van vele verzochte en aangevochten mensen stegen daarin op. Maar ook al die stemmen worden nu opgeroepen om de HERE te loven. Hoe je stemming ook is, stem af op deze lof van God!

*

(Loof de HERE: blijf niet achter) [4]

Het is opvallend dat God zijn lof beveelt. Het is een psalm met veel uitroeptekens: Loof de HERE! Blijf niet achter. Je moet allemaal meedoen. Dit bevel lijkt iets teveel gevraagd.

Als God nu eens aanraadde om Hem te loven, dan konden wij voor onszelf beslissen of wij daar ook aan toe zijn. Dan kon onze moder¬ne tijd dit woord ook laten liggen omdat het een historisch bepaald verzoek uit een ver verleden is, dat niet past in onze geseculariseerde eeuw. Dan kon de aange¬vochten christen het voorlopig terzijde laten en zich blijven in¬kapselen in eigen verdriet of probleem. Want hoeveel kinderen van God denken niet dat er voor hen geen reden is om te loven in hun leven?

Maar nu staat het gebod recht voor ons. Voor ons allemaal. Voor de moderne mens: prijs de HERE! Voor de beproef¬de ziel: loof God!

En laten we maar eerlijk erkennen dat zo´n gebod ons kan irriteren. Van nature zien wij daarin een aanslag op onze menselijke vrijheid. Of we ervaren het als een miskenning van onze persoonlijke nood of kerke¬lijke aanvechting.

Er is in onze wereld ruimte voor een christelijke mening. Maar is er ook ruimte voor een kerk die het woord van psalm 150 doorgeeft: Nederland is verplicht om de HERE te loven. Niet alleen de christenen, ook de niet-kerkelijke mensen zijn daartoe gehouden. God eist en beveelt, dat ook de liberalen en de socialisten Hem gaan loven en prij¬zen. Alle politieke partijen!

Voor deze oproep komen wij allen in de schuld te staan. En daartegen rijst protest.

Dan zeggen mensen: je kunt toch niet geloven op gezag? Je kunt toch niet de mondige mens tegemoet komen met een kort bevel? En je moet toch eerst de geëmancipeerde jeugd begrijpend tegemoet treden voordat je ze met psalm 150 beveelt om de HERE te prijzen? En moet je ook de mens in moeite niet eerst overeind helpen, voordat je hem met psalm 150 in contact brengt? Op al deze protesten biedt de bijbel wel een antwoord. Psalm 150 staat in de bijbel onvoorwaardelijk, maar niet zonder toelichting.

Als God beveelt, dan misbruikt Hij zijn gezag niet. Er was aan het begin van onze menselijke geschiedenis een tijd, waarin het woord van psalm 150 niet nodig was. De eerste mensen (geen holbewoners, maar paradijsbeheer¬ders) loofden de HERE, Die alles heel goed had gemaakt. Psalm 150 was toen overbodig. Maar daarna is de tijd gekomen dat de mensen dit loven afleerden. De stem van de slang in het paradijs wekte de hoogmoed in onze harten. Toen groeide in onze mens¬heid de onwil om God te loven. En de mensheid ging hoog opgeven van zichzelf (Genesis 4).

En nu is psalm 150 een lied na de zondeval. Een dringend bevel tot terugkeer. Deze psalm ontdekt onze ellende.

Als een man zijn vrouw moet bevelen hem lief te hebben, is het de tijd voor de vrouw om zich diep te schamen. Het is de eer van de liefde om het bevel overbodig te doen zijn.

Zo mag psalm 150 ons tot schaamte bewegen. God moet ons bevelen wat voor ons als zijn schepselen vanzelfsprekend moest zijn.

Dit bevel wortelt in het récht. Een man kan zijn vrouw die hem liefde en trouw beloofde ook daartoe oproepen. Die oproep rust op een verbond van huwelijk. Zo wortelt het bevel van God om Hem te loven niet in een onredelijke autori¬teit, maar in het recht van God op ons als zijn maaksel.

Hij is onze Schepper. Wij zijn het leem dat zijn handen vormden. Hij heeft zijn recht op ons. En als wij Hem niet prijzen, dan zijn wij niet de onbeslisten, de neu¬tralen, de aarzelenden, de versuften, maar de nalatigen en de zelfgenoegzamen en de ondankbaren. Al onze moeiten om God op zijn bevel te loven, moeten wij juist door dit bevel leren zien als schuld. Al onze twijfels, onze problemen, onze levensmoeiten waarmee wij ons excuseerden, blijken tegenover Gods gebod slechts vluchtheuvels voor onze onwil om nederig Gods recht op onze lof te erken¬nen.

Als wij echter dat récht weer leren eerbiedigen,dan komt uit ons hart ook de schuldbelijdenis naar boven: `Ik zweeg, mijn Schepper, waar ik van U had moeten spreken. Ik vergat, o Vader, te danken waar ik loven moest. Ik verontschuldigde mij, heilige God, met jeugdproblemen, levensmoeiten, drukke werkzaamheden, kerkelijke zorgen om te verbergen dat mijn hart niet zo snel genegen is tot uw lof.´

En pas als wij zo ootmoedig buigen voor het recht van God op ons leven, vinden wij de toegang tot het lied dat God ons nog opnieuw weer leren wil.

*

(Loof de HERE: stof genoeg!) [5]

Want wij hebben niet alleen een plicht om God met ons leven te loven, God geeft ons ook aanleiding genoeg om Hem te prijzen. Zelfs in dalen van diepe duisternis.

Het loven van de HERE is vandaag niet moeilijk geworden omdat wij leven in een maatschappij van beton en staal, van sociale voorzieningen, van Irak en Syrië, Gaza-strook en rampen.

De vorige tijden hadden ook hun moeiten om God te loven. En ook die eeuwen somden hun redenen op waarom het moeilijk zou zijn ernst te maken met het roemen van God.

Maar onze psalm gaat daar niet op in. Dat is geen non¬chalance. De psalm wijst juist met een korte aandui¬ding op de uitweg uit onze zogenaamde moeiten. Wij lezen in vers 2: `Loof Hem om zijn machtige daden, loof Hem naar zijn geweldige grootheid´.

God is groot! Hoe leer je dat zeggen in een tijd waar¬in sommige theologen zich verplicht voelen om te leren: God is dood? In vers 2 ligt de sleutel tot het antwoord. God prijzen om zijn grootheid leer je via dat eerste dat genoemd wordt: prijst Hem om zijn grote daden. De stof tot lof vinden we in wat God heeft gedaan.

Het woord dat de psalm hier gebruikt wijst op de bijzon¬dere daden van God.

God doet alles. Maar niet alles wat God doet is gelijk. Er zijn daden van God die boven zijn vele daden uitsteken. Daarbij denkt de bijbel dan aan zijn daden tot verlos¬sing van zondaren en tot behoud van de schepping. De Schrift vertelt ons van die daden van God. De dichter van psalm 150 vond Gods werken niet in de journalen van de wereld-politici van die tijd, maar in de boeken van Mozes. Zoals wij in de bijbel als geheel, van Genesis tot Openbaring, het verslag van de grote daden van de HERE vinden.

God loven om zijn grootheid, leer je als je jezelf niet te groot acht om de kleine letters in het boek van Gods grote daden te gaan lezen en die te geloven. En hier ligt nu juist de werkelijke moeite voor velen om tot de lof van God te komen.

Het leesboek van de bijbel is het liedboek voor het ge¬loof. En zingen zonder blad kunnen wij vandaag zeker nog niet.

Het is niet de 21e eeuw met zijn eigen tijdsbeeld waar¬door het velen moeilijk wordt om onvoorwaardelijk te ge¬loven en te loven. Het is veel meer de vraag: kent onze 21e eeuw nog de bijbel en gelooft men die nog? De bijbel vertelt ons over Gods grote daden.

Hij schiep in zes dagen de hemel en de aarde. Wat vol¬gens ons menselijk verstand slechts in miljoenen jaren kon groeien, volbracht zijn almacht in één werkweek. Loof HEM naar zijn geweldige grootheidI

De bijbel vertelt ons ook hoe de HERE een slavenvolk uit Egypte, het volk van de Joden, in een nacht door de Rode Zee leidde. Een zee die zo diep was dat een leger erin verdronk. God legde haar in Ă©Ă©n nacht droog. En wij weten hier in Nederland toch wel hoe moeilijk het is om land droog te leggen. Bewoners van de lage landen bij de zee, loof dan de HERE om zijn grote daden!

De bijbel vertelt ons ook hoe de HERE zijn eigen Zoon mens deed worden als wij. Hoe Hij Hem voor onze schulden strafte.

God riep tot de wereld: `Loof Mij.´ Maar waar bleef het antwoord op het bevel van psalm 150? Wat is er terecht gekomen van die lof van God in de geschiedenis van het volk Israël? En in de geschiedenis van de kerk? Zijn wij de antwoorden op psalm 150 niet schuldig gebleven? Maar dan gaat God zijn Zoon zenden. En Jezus geeft gehoor. Hij looft de Vader, terwijl wij zwegen. Christus verheer¬lijkte Hem zonder zich daarvoor te schamen. En Jezus mag het als Enige in onze mensheid in antwoord op psalm 150 zeggen: `Vader, Ik heb uw Naam verheerlijkt´. Hij laat zich kruisigen onder Gods toorn om te boeten voor ons schuldig zwijgen voor God. Zo vervult God psalm 150 in zijn eigen Zoon opdat wij behouden worden: loof God om zijn machtige daden!

En zo kan de bijbel ook gaan vertellen dat God door Chris¬tus de hemel en de aarde zal vernieuwen. En dat Hij ons allemaal weer zal leren om Hem te loven zonder mankeren. De psalm waar wij van nature onwillig tegen aan kijken, zal straks moeiteloos opgenomen worden als een grote schare zingt op de nieuwe aarde: `Halleluja! De Here, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap op zich genomen. Laten we blij zijn en jubelen, laten we Hem de eer geven! Want de bruiloft van het Lam is gekomen´´. (Openbaring 19: 6-7). Als God zijn lof in psalm 150 beveelt aan al wat adem heeft, zal Hij ondanks onze onwil dit bevel ook nog tot uitvoering doen komen. Loof Hem naar zijn geweldige grootheid!

Zo geeft de bijbel stof tot lof aan vermoeide mensen van deze eeuw en aan verdrietige kinderen van God. Als wij Gods daden gaan meten aan onze ge¬dachten in de 21e eeuw blijven we arm en alleen achter. Dan verliest een christenheid met haar vertrouwen in de Schrift ook de daden van God die daarin tot stof voor lof zijn opgetekend, en zij houdt alleen een handvol theologische problemen over in een lege wereld.

Want dat is dan toch maar het gevoel dat velen vandaag doortrekt: dat God (als Hij zou bestaan) ergens elders is en dat wij hier als groot-geworden mensheid moederziel al¬leen staan met onze volwassenheid. Loof God! Maar waar?

(Loof de HERE in zijn eigen wereld!) [6]

Er mag stof zijn tot lof, is er nog wel een plaats voor lof? Is onze wereld daar nog een plaats voor?

Dat is de vraag van vele studerenden: is er te midden van DNA-moleculen en sterrenwerelden nog plaats voor een hoog opgeven van God?

Dat is de vraag van vele werkers: is er te midden van onze geautomatiseerde machines en schakelpanelen nog een plek om de HERE te prijzen?

Het is ook de vraag van vele lijdenden: is er tussen re¬validatiecentra en beademingsmachines nog ruimte voor lof?

Psalm 150 geeft hier een korte aanwijzing om ons te hel¬pen. Deze aanwijzing: dat wij al ziende naar de wereld ons daarop ook blind kunnen staren. Wij zien het vuil en het on¬schuldig vergoten bloed dat op de vloer van de wereld ligt, maar wij vergeten dan dat het de vloer is van Gods paleis. Deze wereld, hemel en aarde, is zijn woning. Zijn eigengemaakt en door Hem zelf gevuld heiligdom. En als nu bij een tempel de priesters elkaar doodslaan in de voorhof en God verloochenen, dan blijft die voor¬hof nog wel de voorhof van een heiligdom. Al bouwen wij door onze schuld in deze schepping een we¬reld van dwaasheid en onrecht en leed, daarom blijft de¬ze wereld nog wel Gods wereld.

Vers l van de psalm luidt: `Loof God in zijn heiligdom, loof Hem in zijn machtig uitspansel´. Daarbij is niet gedacht aan de tempel te Jeruzalem. Ook niet uitsluitend aan de hemel: ook aardebewoners worden immers tot lof in dit heiligdom opgeroepen. Hier is gedacht aan heel de schepping. God vervult de wereld. Deze is zijn heiligdom. De psalmen zijn daar vol van. `Van de HERE is de aarde en alles wat daar leeft, de wereld en wie haar bewonen´ (Psalm 24). En in psalm 104 lezen we: `Prijs de HEER, mijn ziel, HEER, mijn God, hoe groot bent U. Met glans en glorie bent u bekleed, in een mantel van licht gehuld. U spant de hemel uit als een tentdoek en bouwt op de wateren uw hoge zalen, U maakt van de wolken uw wagen en beweegt U op de vleugels van de wind, U maakt van de winden uw boden, van vlammend vuur uw dienaren´.

De bijbel leert ons de wereld weer zien als de wereld van God. Achter de oorlogen werken zijn gerichten. Ach¬ter de ziekten zijn straffende of louterende hand. Ach¬ter de geschiedenis van de wereld klopt het geduld van God, Die nog roept tot zijn lof en daarop wacht. Sommige kinderen van God hebben hun ogen even heel wijd mogen opensperren in het heilig paleis van God. Dan ziet de knecht van Elisa de engelen van God rondom (2 Konin¬gen 6:17). En dan kijkt Stefanus recht de hemel in en aanschouwt Jezus die daar staat (Handelingen 7:55) Maar als regel houdt God onze ogen nog half-gesloten. Waarom zouden wij ook de hemeltempel in moeten kijken als wij het nog weigeren om de voorhof als Góds aarde te eerbiedigen?

De bijbel leert ons om eerst met de blik op deze aarde weer te zeggen: `Ik loof U, o God, in uw heiligdom´. Leer dat door het geloof zeggen in de voorhof. Dan zullen straks de gordijnen opengeschoven worden als de HERE God in het nieuw Jeruzalem in ons midden woont en alle tranen van de ogen afwist. Ook de tranen om onopgeloste vragen die ons zo gemakkelijk tot ver¬zoekingen worden vanwege ons kleingeloof. Er is een plaats om God te loven.

En die plaats is hier. In deze tijd en deze wereld. Want wij zijn in GĂłds paleis.

Dit antwoord betekent dat wij alleen door het geloof de weg tot de lof Góds zullen terugvinden. Alleen het geloof (een bewijs van de dingen die men niet ziet, He¬breeën 11:1) is het antwoord op de prediking van deze dienst.

(Loof de HEER: van begin tot eind) [7]

Aan universiteiten en hogescholen wordt jaar in jaar uit de hele wereld onderzocht en verkend. Ieder die daar geroe¬pen wordt tot dit onderzoeken van deze wereld, zal slechts de weg vinden als hij of zij zich eerst door het ge¬loof tot doel leert stellen God te loven in zijn heiligdom. Studeren vraagt veel eerbied. Wie zonder eerbied begint, kan erg knap worden, maar blind blijven.

Wij leven allemaal in een tijd die zich dynamisch voort¬beweegt. Maar ook in deze snelle tijd zal opnieuw blijken hoe een volgend geslacht alleen voor de lof van Gód be¬waard wordt door het geloof. Het geloof dat zich in de schaduw van welke tijden ook opmaakt om nederig en ge-hoorzaam het verlossend bevel van psalm 150 op te vol¬gen: Loof God in zijn heiligdom, loof Hem om zijn machtige daden.

Het volume van dit geloofslied kan gering worden. Maar de kracht ervan blijft.

Want door dit geloof wordt een mens behouden. Psalm 150 is het laatste lied van de psalmen. Het loflied op God zal het laatste lied zijn dat klin¬ken blijft als alle andere liederen en liedjes zijn verstomd.

Dat geloven we. En daarom bidden we ook boven het hoofd van elke dopeling, dat hij of zij door Gods leiding Jezus Christus zal volgen en belijden. Dan zal hij of zij eens de overwinning ontvangen, zodat hij of zij `U, de enige en betrouwbare God, Vader, Zoon en heilige Geest – eeuwig zal loven´.

Wij bidden bij de doop dat ons leven zal uitkomen bij psalm 150!

Dan zal het straks opklinken uit de mond van alle gelo¬vigen, gezuiverd en zonder dat de stem soms nog stokt: [8]

´U komen alle lof, eer en macht toe, Heer, onze God,
want U hebt alles geschapen:
uw wil is de oorsprong van alles wat er is´´
(Openbaring 4:11)

[9]
AMEN.

- Terug naar menu