- Download preek als PDF bestand    (Klik hier voor grote letter)
 - Download liturgie als PDF bestand
 - Download PowerPoint presentatie
 
- Terug naar menu


Tips voor de (voor)lezer.

ALGEMEEN
1. Lees als preeklezer vooraf het menu Informatie over Contact, Tekstkeuze e.a.

2. De cijfers tussen [ ] in de tekst, zijn alleen van belang wanneer men gebruik maakt van beamer-ondersteuning. Lees in dat geval als verzorger van de beamer vooraf in het menu Informatie : ,,De powerpoint presentatie’’.


Liturgie.

Votum, Zegengroet, Amen
Zingen: Psalm 23:1,2 (Vertrouwen in de Herder!)
[vm] Wet van de HERE
[vm] Zingen: Psalm 51:3,4 (Doe weg mijn kwaad, wis uit de laatste sporen)
Gebed voor de eredienst
Schriftlezing: 2 Samuël 12:15-25
Zingen: Psalm 32:2,3 (Genade bij schuldbelijdenis)
Preek over 2 Samuël 12:15-25
Zingen: Psalm 4:3 (Mijn leven zal bij U geborgen zijn)
Dienst van de gebeden
[nm] Apostolische geloofsbelijdenis
[nm] Zingen: Psalm 4:3 (Laat mijn ziel uw heil ervaren)
Collecte
Zingen: Gereformeerd Kerkboek Gezang 174 (Zoals een mantel om mij heen geslagen, zo is mijn God)
Zegen, Amen.





Preek over: 2 Samuël 12:15-25

Wilt u voorlezing van deze preek in uw gemeente even melden via contact@vanbruggenpreken.nl?
______________________________



LEVEN BIJ EEN ONVERHOORD GEBED

[1]


Gemeente van onze Here Jezus Christus, broeders en zusters, oud en jong,


In onze catechismus zijn de laatste acht zondagen gewijd aan het gebed. De catechismus legt ons uit dat wij moeten bidden en hoe wij dat moeten doen. Het gebed is het belangrijkste deel van onze dankbaarheid. En het verdient daarom veel zorg en aandacht. Alleen zorgvuldig gebrachte reukoffers stegen op naar de troon van de HERE. En alleen eerbiedige gebeden bereiken de troon van onze God en zijn Zoon Jezus Christus.

Maar er is ook een punt dat in de catechismus niet apart wordt behandeld. Een onderwerp dat in de tekst voor vandaag wel aan de orde komt. En dat is de vraag naar het onverhoorde gebed.

*

De catechismus stelt daar geen vraag over, maar het leven kan die vraag levensgroot op ons af laten komen. Zijn er ook onverhoorde gebeden? Die vraag kun je theoretisch aan de orde stellen op een bijbelkring of in een wat kritisch gesprek. Ze kan ons echter ook overrompelen in een periode van ons eigen leven. Wij bidden en smeken. En toch ontvangen we niet. Zijn er dan onverhoorde gebeden? Als de vraag zó op je afkomt kan ze zwaar op je drukken. Dan wordt bidden moeilijk.

Buitenstaanders zijn er dan vaak snel bij om je te helpen. Ze hebben direct een antwoord klaar: `Er zijn geen onverhoorde gebeden`. Dat is soms een goed bedoelde zinsnede. Men wil maar zeggen, dat God wel hoort, al is het op zijn eigen manier. Dit is ook waar. Maar als je dat beaamt, kun je toch nog wel zeggen dat er voor ons onverhoorde gebeden overblijven. Wanneer God altijd hoort, betekent dit nog niet dat Hij mij altijd verhoort. Zeker niet op de wijze die ik bedoelde. Wie zelf worstelt met een onverhoord gebed in zijn leven, zal dan ook nooit echt getroost worden door de gedachte dat er geen onverhoorde gebeden zijn. Hij of zij weten wel beter en het smaakt je soms bitter.

Juist daarom gaan die onverhoorde gebeden ons allemaal aan in de kerk. Het gevaar bestaat dat iemand daarover zou struikelen. En dat een leven verbitterd wordt tegen God. Omdat er levens op het spel staan, moeten we in de kerk op een goede manier met elkaar kunnen spreken over de verhoring van de gebeden.

*

De bijbel vertelt ons over wat wij `onverhoorde gebeden` noemen. In het Schriftgedeelte, dat we vandaag lazen, vinden we een onverhoord gebed van David. Hij bad om het leven van z´n kind. Een vurig gebed. En toch stierf de jongen. David moest hem begraven.

David is over dit onverhoorde gebed echter niet gestruikeld. Integendeel. Hij kreeg er een stuk verdriet bij in zijn leven, maar hij werd rijker in zijn omgaan met de HERE.

In de voorafgaande hoofdstukken is ons meegedeeld, hoe David een grote zonde bedreef: de gezalfde koning raakte verward in de netten van overspel, bedrog en moord. David is niet zo voorbeeldig in deze hoofdstukken. Toch is hij ons in dit onverhoorde gebed wel tot voorbeeld. Omdat hij goed heeft gesproken over de HERE.

David geeft ons door zijn houding een doorkijkje op God: zó kan David nu zijn, omdat hij weet wie zijn hemelse Vader is! De hofhouding staat verbaasd. Ze begrijpen David niet. Ze moeten omhoog kijken om het te begrijpen.[2]

DAVIDS ONVERHOORDE GEBED WERD GEEN STRUIKELBLOK
1. hoe hij kon bidden (bij zijn zoon);
2. hoe hij kon ophouden te bidden (voor zijn zoon);
3. hoe hij kon verder leven (zonder zijn zoon).


1. (Hoe hij kon bidden)[3.1]

In het paleis van koning David is het stil. Angstig stil. Anders gonst het er van leven. Dan zijn de gangen vol mensen die de koning willen spreken. Maar nu zijn de grote deuren gesloten en slechts een enkele hoveling glipt steels door de gangen.

In één vertrek is de stilte het ernstigst. Het is de kamer van Batseba. Op een bedje ligt haar zoontje en zij zelf zit er moedeloos bij. Hij is nog jong. Gisteren nog vrolijk en speels. Maar nu ligt hij daar opeens met hoge koorts en gaat van uur tot uur achteruit. De artsen zijn somber: het is zo onverwachts, zo raadselachtig. Het is alsof het kindje een slag gekregen heeft.

Zo is het ook. De bijbel zegt: `De HERE trof het kind, dat de vrouw van Uria David gebaard had`. De HERE sloeg toe. Nu houdt het paleis de adem in.

*

Daar is ook David. Keer op keer komt hij kijken naar de toestand van zijn zoontje en dan trekt hij zich weer terug. Want terwijl de HERE slaat en de koorts opjaagt, is David gaan bidden. Hij vast en smeekt. Hij slaapt op de grond.

Het is stil in het paleis. De regeringszaken zijn voor onbepaalde tijd opgeschort. De koning is in zijn binnenkamer en slechts wij werpen een blik daarin en zien hoe hij dag aan dag en iedere nacht bidt en worstelt met zijn God.

Hoe kan David dat doen? U moet namelijk weten, dat er wel wat bijzonders met deze jongen van hem was. Het was zijn zoon en die van Batseba. Maar vers 15 herinnert er pijnlijk aan: zij was `de vrouw van Uria´. Uria was al weer minstens een jaar dood, maar nu de crisis komt en God het kind slaat, wordt het weer naar boven gehaald: deze zoon van David is verwekt bij de vrouw van Uria. Kind van zonde en onrecht. Hoe durft David er voor te bidden?[3.2]

Hoe kan hij het? We lezen immers aan het begin van de tekst: `Daarop ging Natan naar huis. De HERE trof het kind`. Natan was juist geweest. Hij had David bekend gemaakt met zijn zonde. En toen was dat woord gevallen, dat we nu lezen in vers 14: `Uw pasgeboren zoon moet sterven´. Loodzwaar was dat woord op Davids ziel blijven liggen en het ging nog zwaarder drukken toen kort daarop de boden kwamen van Batseba: `Ons kind is plotseling heel ziek geworden`. De profeet sprak. De HERE sloeg. Het sloot aaneen. Stokte toen het gebed niet in Davids keel?

Nee, David bidt. Maar hoe!

*

We lezen in vers 16: `Toen zocht David God terwille van de jongen`. In de Nieuwe Bijbelvertaling (2004) wordt dit nogal vluchtig weergegeven met de vertaling `David bad tot God voor de jongen´. Er staat echter niet kortweg: `Hij bad`. Maar er staat: `Hij zocht God`. En er staat niet dat hij bad vóór de jongen, maar dat hij God zocht `terwille van de jongen`. U ziet dat in de nauwkeuriger weergave van de Herziene Statenvertaling en de Vertaling 1951: `Toen zocht David God ter wille van de jongen´ of `David zocht God voor het jongetje´. Dit is iets anders en het werpt licht op Davids bidden.[3.3]

David doet heel wat meer dan het monotoon herhalen van slechts één wens: `Laat de jongen leven`. David zoekt niet dit kind, desnoods dan via God omdat het via de dokters niet meer lukt. David zocht God. Dit staat wel in verband met zijn kind, maar het is meer en anders.
Naar aanleiding van deze nood in zijn huis gaat David weer de verbondsomgang met zijn God zoeken. Die nood haalde de zonde naar voren waar hij overheen leefde. David had de zonde niet echt gezien. Hij dacht er wel om door te kunnen leven. Maar nu de bliksem vlak naast hem inslaat, beseft hij hoe hij doods was geworden voor God. En nu gaat hij de weg terug. Hij zoekt weer zijn God. Als een verloren zoon. Vanwege zijn kind gaat hij zijn God eindelijk weer zoeken!

David zal de afgelopen anderhalf of twee jaar wel vroom hebben geleefd en regelmatig hebben gebeden en normaal hebben geofferd. Hij is religieus gewoon doorgegaan alsof er niet veel aan de hand was. Maar voor de Here was het niet goed en daarom kwam er ook over Davids geestelijk leven een matheid, een zekere sleur en doodsheid.

De HERE bleef Batseba zien als de vrouw van Uria. God laat zich niet afschepen. Mensen denken vaak dat je het verleden kunt begraven.

Dan denkt men bijvoorbeeld dat een tweede huwelijk vanzelf een streep zet onder een periode van echtscheiding. Of dat een verhuizing naar een andere gemeente vanzelf een conflict met een broeder of zuster heeft afgesloten. Alsof die andere vrouw of man nu niet meer ter zake is. Men maakt immers een nieuwe start! Voor de mensen is allang een andere vrouw of man in het beeld geschoven. Mensen in een andere plaats weten er niet van hoe je een collega in de zaak bedrogen hebt. Maar de HERE kijkt achter onze schermen en Hij blijft ons herinneren aan mensen die wij onrecht aandeden. Hij blijft ook een man en een vrouw houden aan de eerste vrouw en man aan wie trouw werd beloofd. Hij blijft de man in herinnering houden die jij bedrogen had. David kan Uria wel wegwerken en Batseba huwen, maar God blijft aan Uria denken en blijft zijn naam naar voren halen.

Daarom kon er geen goede omgang zijn tussen David die het verleden wil doodzwijgen en de HERE die aan het verleden recht wil doen. Misschien heeft David wel woorden van schuldbelijdenis gestameld. Maar God zag niet de tranen in zijn ogen en de verbrokenheid van zijn hart. Schuldbelijden is meer dan woorden van schulderkentenis uitspreken. En doordat David niet echt in de schuld voor God kwam te staan, ging het niet goed met zijn geloofsleven en zijn gebed.

Maar de HERE liet het daar niet bij. Hij zocht zijn kind David op door hem hard te slaan. Hij treft het jonge, pasgeboren kind. Dat is een roepstem tot David, de zoon met het harde hart. En toen zocht David zijn God weer. Toen kwam er weer herkenning en omgang in het verbond.

Dat blijkt uit Davids houding, die nu verandert. Hij gaat rouw bedrijven.[3.4]
´s Nachts ligt hij als een geslagen man op de vloer en overdag eet hij niet. Zelfs zijn kamer-dienaars kunnen hem niet bepraten. David rouwt. Dit is geen godsdienstige druktemakerij, zoals ook bij de heidenen voorkomt, om de goden gunstig te stemmen. David kerft zich niet in zijn lichaam, zoals de latere Baalspriesters op de Karmel zullen doen. David organiseert niet een vertoning om zijn God te vermurwen. Hij bekeert zich tot God en dat toont hij door zijn berouwvol gebed. Hij bidt niet als een belaagde, als een aangevallene, als een verontwaardigde, maar als een mens die diep in berouw is gedompeld. In deze dagen spreekt David tot God, wat we lezen in Psalm 51 (vers 16 -19 HSV):
`Red mij van bloedschulden, o God, God van mijn heil, dan zal mijn tong vrolijk zingen van Uw gerechtigheid. Heere, open mijn lippen; dan zal mijn mond Uw lof verkondigen. Want U vindt geen vreugde in offers, anders zou ik ze brengen; in brandoffers schept U geen behagen.. De offers voor God zijn een gebroken geest; een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.`
Zo zocht David zijn God weer op.

En daarbij was God de eerste. Hij had David opgezocht door de profeet en door de ziekte van zijn kindje. En toen de HERE zocht, toen vond David. God maakte hem een vindenstijd in de druk, zoals David zal belijden in psalm 32 (vers 6).

Wij leren hier dat er geen beproeving of druk is waarin God zich niet weer door ons wil laten vinden. De HERE wil zich daarachter niet terugtrekken, maar wil zich juist weer doen vinden als de God van het verbond. De weg die Hij dan met ons gaat kan soms heel zwaar zijn. Maar als de koorts brandt of als de dreigende eenzaamheid u aangrijpt, laat u dan niet overmeesteren door de gedachte dat God u niet ziet en zich onbekommerd toont. Geloof dat Hij u zoekt en ga Hem zoeken, voor het eerst of opnieuw, door uw gebed.

Voor David betekende dit berouw over zonden die reeds lang afgedaan leken. Dat kan het ook wel betekenen voor u vandaag. Laten we die gedachte niet bij voorbaat van ons afschuiven. Wie zijn God gaat zoeken, weet dat hij was weggedwaald. Daarom zoek je een weg terug.

*

Dit alles sluit het gebed om uitredding niet uit. David zocht zijn God, maar daarbij vergat hij zijn kind niet. Steeds weer bad hij ook om de jongen. En nog steeds dringt zich de vraag op: hoe kon David dit. Hij stond immers juist inzake dit kind zwaar in de schuld bij God. Bovendien had Natan al gezegd dat het kind zou sterven. Het oordeel stond vast! David hoefde hier niet eens te piekeren over Gods verborgen raad. Uit Gods geopenbaarde raad bleek al duidelijk genoeg dat er geen kansen op herstel waren. Mocht David dan nog bidden?

Dat is voor velen van Gods kinderen ook vandaag een moeilijke vraag: bid ik misschien tegen Gods plannen in, bid ik in mijn angst en zorg iets dat God niet wil geven? Deze vraag kan ons gebed weifelend maken en onzeker. Maar kijk nu eens naar David: hij bidt zelfs door nadat God al heeft gezegd dat de jongen zal sterven!

David geeft later zelf antwoord op de vraag hoe dat kon. Hij zegt (in vers 22): `Toen het kind nog leefde, vastte ik en stortte ik tranen. Ik dacht: Wie weet is de HERE mij genadig en blijft het kind in leven.` `Wie weet ..!` Misschien! Dat woord gebruiken wij niet graag bij de HERE. We denken dan al gauw, dat het woord `misschien` niet bij God past. Al zijn werken zijn Hem immers al bekend! Er kunnen bij God toch geen onzekerheden zijn? Toch gebruikt de Schrift deze uitdrukking wel vaker bij de HERE. Joel zegt: `Bekeert u .. .misschien herroept Hij zijn vonnis` (2 : 14). Wie weet![3.5]

Deze uitdrukking doet ons niet te klein denken van de HERE.
Integendeel. Zij is juist de kracht van het gebed. David denkt zeer groot van de HERE, wanneer hij toch doorbidt ondanks Natans oordeelsprofetie. David gaat er vanuit, dat God graag vergeeft en niet graag straft, en dat Hij een levende God is die naar gebeden luistert. David zegt niet: `Als Natan het zo zegt, dan is het afgedaan, want God is onvermurwbaar`. David denkt niet dat God een ijzeren noodlot zou zijn. Hij zegt integendeel: `Wie weet is God nog genadig`. In dat `misschien` ligt de erkenning dat David er geen recht op heeft, maar daarin blijkt ook het stoutmoedige geloof dat durft stormlopen op Gods genade.

Misschien! Dit leidt niet tot lijdelijk afwachten (je kunt nooit weten), maar tot vurig gebed, tot dóórbidden. Zolang er nog adem is in het zieke lichaam van het jongetje, is Davids gebed niet in ademnood.

Zo mogen we, gemeente, dóórbidden. Gods raad is nooit een spaak in het wiel van ons gebed.

Gods raad verplicht ons wel om bescheiden en volhardend te zijn in het gebed. Totdat God ons door de feiten een halt toeroept. Straks, als de jongen is gestorven, zwijgt Davids gebed. Er zijn tijden in een mensenleven, dat het gebed moet eindigen. Maar niet eerder. Hizkia had van Jesaja zijn doodstijding ontvangen. Toch ging hij bidden, want hij dacht: `Wie weet ...!` En hij is ver¬hoord: God veranderde zijn beslissing en Hizkia bleef nog leven. Ninevé zou met 40 dagen verwoest worden. Maar toen er toch nog gebeden en gevast werd, kreeg de HERE berouw en Hij spaarde. Onze God is een levende en almachtige God: u kunt bidden. En onze God heeft hen lief die als bedelaars op de deur van zijn genade blijven kloppen, zoals de weduwe het deed bij de onrechtvaardige rechter. Zulk bidden, zelfs jaren lang, zal uw verbonds-verkeer met uw God niet schaden. God verbiedt geen kind om te bidden zolang daar nog tijd voor is.


2. (Hoe hij kon ophouden te bidden)[4.1]

Zo heeft David gebeden met heel zijn hart en zonder ophouden. Zeven lange dagen en nachten was zijn ziel gespannen rondom het kind.

En toen gebeurde het toch: op de zevende dag stierf het kind. Toen brak de spanning in een drukkend verdriet. Kunt u zich voorstellen dat de dienaars het niet aan David durfden te vertellen? Ze drommen in groepjes mompelend samen. Ze hebben de laatste week hun hart al vastgehouden: zó zou de koning het nooit volhouden. Moet nu over deze heetgespannen ziel dit ijskoude bericht worden uitgestort? Hij zou je wel kunnen vermoorden, als hij het hoort! Niemand waagt zich naar David. De dienaren ervaren hier heel intens de crisis die er over een kind van God kan komen, als tegen de vurigste gebeden in toch tenslotte het hek gesloten wordt en de laatste hoop wordt afgesloten.

Terwijl zij dit overwegen, ziet de gespannen koning al op hun gezichten dat er iets is. En hij begrijpt het zonder woorden:`Te laat`. Kort is zijn vraag: `Is het dood?`. En even kort het antwoord: `Ja, heer`.

En dan .. .gebeurt er iets zo wonderlijks, dat je er haast bang van zou worden:
`Toen stond David op van de grond, nam een bad, wreef zich in met olie en trok andere kleren aan. Hij ging het huis van de HEER binnen en knielde. Daarna ging hij naar huis en liet zich iets te eten brengen.´ (vers 20).
Nu brandt ook ons de vraag op de tong die de dienaars niet kunnen bedwingen: `Waarom zo? Hoe kunt u dat nu doen?`

En let dan op het antwoord van David: `Toen het kind nog leefde, dacht ik: Wie weet is de HERE me genadig`. Dat zegt David niet alleen vóór de dood. Hij blijft het ook zeggen na het sterven. Daaruit blijkt dat hij het meende toen hij zei: ik heb er geen recht op. Hij blijft het ook nu zeggen: `Ik had geen recht en ik bad op hoop van Gods genade`.[4.2]

Wanneer u bidt, zegt u er zo gemakkelijk bij: `Niet dat wij zulks verdiend hebben; wij zijn uw gaven onwaardig`. Menen we dat ook heel diep? Dat blijkt pas wanneer God ons eens iets niet geeft of iets geeft wat we liever niet wilden. Wat kan er dan toch in uw hart een weerstand zijn, een verzet. Dan beproeft God uw gebed dat zo vlotweg sprak over `onverdiende` gaven. Of wij werkelijk leven van genade, blijkt vaak pas als we komen te staan tegenover onverhoorde gebeden of onverwachte beproevingen in ons leven.

Toch past het ons om bescheiden te zijn. Naakt zijn wij geboren en tot stof zullen we terugkeren. Wat hebben we van onszelf? En wat brengen ook de allerheiligsten terecht van een vroom leven? Hoe durven wij allerlei dingen in ons leven dan eigenlijk als vanzelfsprekend te beschouwen en als zaken die we eigenlijk niet willen afstaan? Hoe durven sommige tegenwoordige christenen het aan om zelfs te spreken over al of niet `boos zijn op God´? Waar halen we de brutaliteit vandaan om zulke woorden te gebruiken? Hebben we dan zo weinig zelfkennis? Beseffen we zo weinig wie we zijn als schuldige mensenkinderen tegenover de Almachtige?

En bovendien: gaf God gaf u niet rijke beloften van een eeuwig leven en van een nieuw, wit kleed. Offerde Hij voor ons niet zijn eigen lieve Zoon? Is dat niet veel? Is ons dat persoonlijk ook heel veel? Dat blijkt in dagen van tegenslag op aarde. Dan wordt ons gebed getoetst en ook gelouterd. Laat dan in uw hart het gebed oprecht zijn: `HERE, ik ben niet waard dat u mij verhoort, maar wie weet wilt u luisteren`. Wanneer u zó bidt, kunt u op Gods tijd ook ophouden te bidden. Dat kon ook David.

*

Hij kon dit omdat hij nuchter was. Hij sprak:
`Nu het kind dood is, wat zou ik nu nog vasten? Daarmee kan ik het toch niet terughalen. Ik ga naar hem toe; hij komt niet terug bij mij´ (vers 23).
God heeft duidelijk de weg afgesloten. De weg naar het graf is nog een weg met éénrichtings-verkeer.[4.3]

Betekent dit nu dat David spreekt zoals een ongelovige ook zou doen? Die kan toch ook zeggen dat gedane zaken nu eenmaal geen keer nemen en dat het uit is met de dood? Maar zo zegt David het toch niet. Hij is niet alleen nuchter, hij is ook niet zonder hoop. Hij zegt immers niet dat het afgelopen is met de jongen en dat het straks ook met hem zal zijn afgelopen. Hij zegt juist heel iets anders. Hij weet dat er een leven is in de dood. De jongen is er nog, ook al keert hij niet meer terug naar dit leven op aarde. En David zal er straks ook nog zijn en weer bij zijn zoon wezen: `Ik zal wel tot hem gaan`. In deze sobere aanduiding ligt een belijdenis van het geloof in het eeuwig leven. David weet misschien niet precies hoe dat zal zijn, maar hij weet heel zeker dat het met de dood niet is afgelopen en dat er een leven is nadat wij op aarde zijn gestorven. Dit neemt niet weg dat hij zijn kind nu missen moet op aarde. Maar niet voorgoed. Zo blijft David de jongen in gedachten houden en bij zijn grafje zegt hij: `Tot ziens, m´n kind!`

Zo kon David ophouden voor zijn zoon te bidden. Hij hield hoop op God over toen het op aarde allemaal voorbij was. God zal het gemiste weergeven en het tekort vervullen.
Die hoop heeft zijn leed verzacht. David ging in de tempel en boog zich neder.
Zijn zoontje gestorven, maar de HERE leeft. Een onverhoord gebed, maar een getroost bidder. Zo heeft David goed getuigd van de HERE, die zulke bidders op zijn tijd zal troosten boven bidden en denken.


3. (Hoe hij kon verder leven)[5.1]

Reeds terstond krijgt David van God de kracht om verder te leven zonder z´n zoon.
Hij gaat eten. Voor het eerst na zeven dagen zomaar overdag eten. En hij wast zich de tranen van het gezicht. Hij gebruikt zelfs zalfolie om zich te verfrissen en er niet meer onverzorgd uit te zien.

Denk niet dat dit vanzelf ging. Wie zo van harte bad, is geen onverschillig of zakelijk mens. David heeft zich gedwongen om te eten. En zich vermand om zijn taak weer op te vatten. Zijn taak om voor de HERE het volk te weiden als een goed herder-koning.

David kon dit niet zomaar volhouden. Je leest dat hij – gewassen en wel – toch eerst weer naar de tempel gaat en daar knielt (vers 20). Hij zoekt steun en put kracht bij de HERE in het heiligdom. Nooit kunnen we verder zonder dagelijks te knielen voor de genadetroon in de hemel![5.2]

En dan staat in vers 24: `Daarna troostte David zijn vrouw Batseba´. Let u eens op het verschil met vers 15. Toen stond er: , ,De vrouw van Uria´. Nu staat er: `Zijn vrouw´. Wettige echtgenote was zij voor David ook reeds ten tijde van vers 15. Maar nu pas is het echt goed. In de weg van het onverhoorde gebed is iets anders goed gekomen. David kwam in de schuld voor God en de HERE heeft David vergeven. Zó radicaal dat zelfs de schaduw van de vroegere zonde niet meer over zijn huwelijksleven hoeft te vallen. Batseba is nu `zijn vrouw`. Want er is bij God vergeving voor het verbrijzeld en verslagen hart.

En David troostte zijn vrouw. Zoals alleen een man zijn vrouw kan troosten in de beslotenheid van de liefde. Alleen een getrooste christen kan ook anderen troosten. Dat is veel meer dan afleiding bieden of ergens overheen helpen. Het mooiste in een christelijk huwelijk is dat de één de ander troost met de beloften van het evangelie. David blijft niet cirkelen rond zijn eigen verdriet. Hij ziet en helpt de ander.[5.3]

En dan volgt daarop in het verhaal, dat David ook weer `tot haar kwam en gemeenschap met haar had´. Dit is nu geen vlucht in de roes, maar het is weer verder leven in het gegeven huwelijk vanuit de gegeven troost. Het was een huwelijk met een zondige oorsprong. En het is door de crisis van ziekte en dood heengegaan. Maar nu mag het door de troost van het evangelie openbloeien in gewone liefde. [5.4]

De HERE heeft dat gezegend. Nu krijgen zij Salomo. God kan troosten door ons andere dingen te geven. Wanneer wij dat andere ook maar zien en ons niet blind blijven kijken op wat God ont¬houdt. God kan u in de gemeenschap waarin u leeft het één onthouden en het ander geven. En als wij dicht bij Hem leven, leren we niet alleen op te houden met het bidden voor het één, maar we leren ook weer danken voor het ander.

De HERE had het kind Salomo lief. Hij hielp vader David na zijn verootmoediging om verder te leven. Zo kreeg David Salomo, dat is vrede. Gods vrede straalt over dit leven, dat z´n gemis houdt, en toch z´n God niet kwijtraakte.[6]

Die vrede gaat het menselijk verstand te boven. En die vrede wil God ook nu schenken. Daardoor wil Hij onze harten en onze gedachten behoeden in Christus Jezus.

Dat is Jedidja: om ´s HEREN wil Gods lieveling!


AMEN.

- Terug naar menu