- Download preek als PDF bestand    (Klik hier voor grote letter)
 - Download liturgie als PDF bestand
 - Download PowerPoint presentatie
 
- Terug naar menu


Tips voor de (voor)lezer.

ALGEMEEN
1. Lees als preeklezer vooraf het menu Informatie over Contact, Tekstkeuze e.a.

2. De cijfers tussen [ ] in de tekst, zijn alleen van belang wanneer men gebruik maakt van beamer-ondersteuning. Lees in dat geval als verzorger van de beamer vooraf in het menu Informatie : ,,De powerpoint presentatie''.


Liturgie.

Votum, Zegengroet, Amen
Zingen: Psalm 34:1,2
[vm] Wet van de HERE
[vm] Zingen: Psalm 34:3
Gebed voor de eredienst
Schriftlezing: Romeinen 8:22-30
Zingen: GK-2006 gezang 36:9
Tekstlezing: Romeinen 8:26-27
Preek over Romeinen 8:26-27
Zingen: GK-2006 gezang 103:1,5,6,9
Dienst van de gebeden
[nm] Geloofsbelijdenis
[nm] Zingen: GK-2006 gezang 36:3
Collecte
Zingen: GK-2006 gezang 102:2,4
Zegen, Amen.


Preek over: Romeinen 8:26-27

Wilt u voorlezing van deze preek in uw gemeente even melden via contact@vanbruggenpreken.nl?
______________________________



De voorbede van de Heilige Geest in ons hart


[1]

Geliefde gemeente van onze Here Jezus Christus,


In de kerk wordt gesproken over wat je niet ziet. [2.1]

We krijgen onderwijs over dingen en personen die wij niet kunnen gaan opzoeken en bezichtigen. Geen ruimtestation kan foto¬īs van de hemel doorgeven aan de aarde. En engelen krijgen wij niet op ons beeldscherm. Niet omdat de hemel niet te zien zou zijn of omdat engelen niet op het beeldscherm zouden kunnen verschijnen, maar omdat onze ogen daar op dit moment nog voor gesloten zijn. Wij hoeven niet alles te zien om veel te geloven.[2.2]

Om dat geloof gaat het juist. De apostel schreef in de verzen die aan onze tekst voorafgaan: `Hoop die gezien wordt, is geen hoop, want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet? Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding¬ī (Rom. 8 : 24-25). In de kerk krijgen wij weer hoop door woord en zichtbaar teken. Vanwege dingen die wij verwachten zonder ze nog te zien.

Ook de heilige Geest, waarover zoveel wordt gesproken in de bijbel, zien wij niet. In vers 23 heeft Paulus ons er aan herinnerd dat wij als gelovigen de Geest hebben ontvangen. Maar toch kunnen we niet tegen ongelovigen zeggen: `Kijk, hier kunnen wij u de Geest van God laten zien¬ī. Hij is ons onzichtbaar voor het menselijk oog gegeven. Wij geloven de heilige Geest. Maar geloof dat gezien wordt, is geen ver¬¨trouwen.

En laten we maar eerlijk zeggen dat ons geloof nog niet altijd zo vast is. Als het gaat over de heilige Geest, blijft het zo vaak voor ons besef wat vaag en ongrijpbaar. Zeker, wij geloven de heilige Geest. Maar wat stelt u zich nu concreet voor van zijn werk? En leeft het nu ook voor ons, dat Hij met ons meegaat door het leven van alledag? Wie niet gezien wordt, dreigt snel aandacht te verliezen bij mensen die zo ingesteld zijn op hun eigen gezichtsveld, hoe beperkt ook. En wordt er niet weinig met zekerheid gesproken over het werk van de heilige Geest?

Er is hier voor ons maar één medicijn. Dat is de prediking. Wat niet gezien wordt, moet gehoord. Daaraan moeten we herinnerd worden door woord en teken. [2.3]

Daarom moet er ook gepreekt worden in de kerk, met woord en sacrament. Niet omdat je daar iets gloednieuws krijgt te horen als christen. Maar omdat in de kerk geloofd moet worden in wat je niet ziet. Daarbij heb je steeds weer hulp nodig om niet te vergeten. De apostel zegt: `Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in wie zij niet geloofd hebben? Hoe geloven in Hem, van wie zij niet gehoord hebben? Hoe horen zonder prediker?¬ī Wat je niet ziet, moet je horen.

En gelukkig horen wij in de kerk over de hemel en de engelen, over God de Schepper en de ten hemel gevaren Heiland. We krijgen er tekenen van reiniging en herstel. We horen er ook over de heilige Geest. [2.4]

Vandaag ligt een gedeelte uit Romeinen 8 voor ons waarin de apostel schrijft over een ongezien en onhoorbaar werk van die heilige Geest. We zouden er niets van weten, wanneer de bijbel er niet over sprak. Nu de Schrift er over spreekt, moeten wij ons dat onderwijs eigen maken. En leren rekenen met een werk van de Geest dat we alleen van horen zeggen kennen, maar dat heel re√ęel en echt is. Zo echt dat we er dagelijks van profiteren.

De tekst vertelt namelijk over de voorbede die de Geest voor ons en in ons doet. Hij bidt voor heiligen. Onhoorbaar is dit gebed voor de mensen, maar het klinkt luid op in de oren van God. Dat stukje ongeziene werkelijkheid brengt de apostel hier onder onze aandacht.

We luisteren naar dat onderwijs over [3]

DE VOORBEDE VAN DE HEILIGE GEEST


1. in ons;
2. voor ons;
3. met ons.


1. (in ons) [4.1]

De heilige Geest is God uit God. Hij is één met de Vader en de Zoon. Hij is thuis in de diepten van God (l Kor. 2 : 10-11). In onze tekst gaat het echter niet over de Geest zoals Hij in de hemel in God is en mét God regeert. Het gaat over de Geest zoals Hij in u en mij is komen wonen om daar het geloof te werken en om ons in een geheimenisvolle gemeenschap met God en Christus te doen leven.

We kunnen ons dat niet goed voorstellen: hoe kan de Geest nu in God zijn en tegelijk ook in zoveel duizenden gelovigen? We hoeven ons dat ook niet te kunnen voorstellen. Hij is God, wij zijn maar mensen. Wij kunnen maar op één plaats zijn en maar één ding persoonlijk doen tegelijkertijd. Maar blijkbaar kan de Geest hier én daar zijn, en gelijktijdig persoonlijk werken op allerlei plaatsen. Het is niet voor niets dat de Schrift de éne Geest ook wel eens als een meertal aanduidt: de zeven Geesten die voor Gods troon zijn.

Veel belangrijker dan het begrijpen, is het weten. Het weten, dat Gods eigen Geest als een Gids aan iedere gelovige is gegeven. Zonder Hem zou ik geen psalm kunnen zingen. Door Hem begin ik te leven voor God. En alles wat er in mijn zondig leven al begint te komen aan geloof en liefde en hoop, is uitsluitend het werk van de Geest die mij is gegeven. In mij woont geen enkel goed. Als er dan toch iets goeds in mij wordt gevon¬den, dan moet er een Ander in mijn hart zijn binnengekomen, een Gast die de leiding neemt en mijn Heer wordt. Als u denkt dat de gave van de Geest wat wazig blijft in uw geloofsbesef, let dan eens op de gevolgen van zijn aanwezigheid en u zult, als u zichzelf kent, met een schok ontdekken dat u allang niet meer alleen bent in uw leven en er een heilige inwoning in uw leven is. Hoe vaak hebben wij dat vergeten en deze Geest in ons hart droefheid aangedaan!

*

Dat het in onze tekst over deze inwonende Geest gaat, blijkt uit vers 23. De apostel spreekt daar met zoveel woorden over `de Geest die wij als voorschot hebben ontvangen¬ī. Door die Geest leren wij bidden tot God en zuchten om verlossing. En dat niet alleen, de Geest die bidden leert, bidt ook zelf.

Ook in vers 27 kunnen we zien dat Paulus nog steeds over die in ons wonende Geest spreekt. We lezen daar over Hem die de harten doorzoekt en `ons doorgrondt¬ī. Dat is God. Hij doorgrondt ook uw hart. En dan vindt Hij daar het bedoelen van de Geest. Zijn voorbede is dus iets waarop God stuit wanneer Hij ons hart doorzoekt: daar is de ons gegeven Geest voorbiddend aanwezig. In ons woont een tweede Bidder die ons gebed te hulp komt.[4.2]

Sommigen hebben het wel zo willen uitleggen dat de voorbede van de Geest samenvalt met ons eigen gebed, dat immers door Hem gewerkt wordt. Dit is echter niet goed mogelijk. Er staat immers in vers 26 dat de Geest zélf voor ons pleit. En dat met onuitsprekelijke of woordloze verzuchtingen, die dus te onderscheiden zijn van ons wél uitgesproken gebed.

*

Dit laatste mogen we zo zeggen omdat onze tekst duidelijk laat blijken dat de Geest in ons hart niet blind is. Hij overziet vanuit ons hart ons hele leven in deze wereld. In vers 26 staat volgens de NBV dat Hij ons helpt in onze zwakheid. Wellicht is de Statenvertaling hier te verkiezen, die het meervoud leest: Hij komt in onze zwakheden te hulp. Maar bij beide vertalingen moet gedacht aan de zwakke positie waarin wij ons vandaag bevinden. Een positie die de Geest er toe brengt om S.O.S.-gebeden op te zenden, in vers 26 `verzuchtingen¬ī of `zuchten¬ī genoemd.[4.3]

Hoe is het met ons dan gesteld? De brief heeft daar al breed over gesproken. Wij zien het in de voorafgaande verzen steeds aangeduid. Wij lijden vandaag met Christus (vs. 17) en we hebben te maken met het lijden van deze tegenwoordige tijd (vs. 18). Heel de schepping om ons heen is aan zinloosheid en vergankelijkheid onderworpen (vss. 20-21). We hebben te maken met tegenspoed, ellende of ver¬¨volging, honger of armoede, gevaar of het zwaard (vs. 35). Wij leven in een wereld die in Adam onderworpen is aan zonde en dood. En ook al zijn we door de Geest met het geloof begiftigd dat ons de rechtvaardiging doet ontvangen, toch hebben we nog te maken met de `werkingen van het lichaam¬ī of onze `zondige wil¬ī (vs. 13).

Kort samengevat hebben we te worstelen met de voortdurende zuigkracht van de zonde en met de ernst van de vergankelijkheid en de dood, alsook met de miskenning van de gelovigen door de ongelovigen die tot vervolging overgaan. Wanneer we naar boven kijken, zien we een heerlijke toekomst, maar wanneer we op aarde door de ramen kijken, zien we steeds meer ellende en verdriet, strijd en tekortkoming.

Maar wie weet beter hoe het uitzicht is vanuit de vensters van uw levenshuis dan iemand die bij u in huis woont? Wij zien van elkaars leven altijd maar een deel. Veel blijft ons verborgen. Wie van de mensen die naast u in de rij zitten hier in de kerk, weet alles af van de zwakke plekken in uw bekering, de vaak mislukkende strijd tegen verborgen zonden en karaktergebreken? Wie weet precies welke drei¬gende ziekte u in uw lichaam meedraagt en hoeveel slapeloze uren u hebt gehad? Wie kan precies begrijpen hoe moeilijk je het soms hebt onder spottende opmerkingen van andere mensen, soms eigen kerk-mensen? Uiteindelijk sta je toch alléén in de kamer van je hart, alléén met je eigen uitzicht? Nee, er is Eén die dat uitzicht deelt. Hij zit niet naast u in de kerkbank. Hij is dichter bij. Hij woont in uw hart en ziet door uw ogen en voelt door uw handen. En terwijl Hij in u is, bidt Hij vóór u.[4.4]

Wat kan het goed zijn wanneer iemand na een vertrouwelijk gesprek ook nog met ons en voor ons bidt. Wij voelen ons gekend in een probleem en gedragen door de voorbede van een broeder of zuster. Maar dat voorrecht heb je niet altijd. Je kunt ook niet alles met mensen
bespreken. Je kunt niet eens alles uit je eigen leven goed overzien en onder woorden brengen. En zijn we ook niet vaak alléén met ons bidden? Wat kan iemand die alleen woont, zich juist in zijn of haar gebed wel eens alléén voelen!

Maar nu laat de Here ons zien, dat we nooit echt eenzaam zijn bij ons bidden. God heeft ons de Geest gegeven, die in ons en voor ons bidt. Hij is altijd in ons. Wanneer we weer thuiskomen op onze studenten¬kamer of vrijgezellenflat. Wanneer we als enige christen werken tussen ongelovigen. Wanneer het dag is en wanneer de nacht ons isoleert van de naaste.

Van deze Geest zegt David in psalm 139:

`HERE, U kent mij, U doorgrondt mij,
U weet het als ik zit of sta,
U doorziet van verre mijn gedachten,
Ga ik op weg of rust ik uit, U merkt het op,
Met al mijn wegen bent U vertrouwd¬ī (Ps. 139 : 2-3).


En de apostel Paulus leert ons nu in Romeinen 8 dat deze Geest door ónze vensters mee ons leven overziet en ons te hulp komt door in ons te bidden en te zuchten tot God.

Er is voor u, kind van God, altijd Iemand die met u bidt. Ongezien staat Hij achter u. En Hij bidt soms, wanneer u het vergat. Hij roept nog als u reeds Amen zei. En Hij pleit voor u van binnenuit. Hij weet wat Hij bidden moet, want Hij is in u. Laat deze wetenschap ons troosten en beschaamd maken. En wanneer u alleen bent, denk er dan vaak over na, dat HIJ in u is en ongemerkt veel meer voor u bidt dan u zou denken.


2. (voor ons) [5.1]

Hij bidt immers niet alleen in ons, maar ook vóór ons. Dat is onze tweede gedachte.

Wij weten immers niet, zegt de apostel, wat we in ons gebed tegen God moeten zeggen. Wij hebben wel leren bidden. Paulus zei zelf in vers 15 dat de Geest ons leert roepen `Abba, Vader¬ī. Maar wat moet je nu aan God vragen? We hebben daarover een algemeen onderwijs in de Schrift en een voorbeeld in het Onze Vader. Toch schiet ons inzicht nog vaak tekort om dit nu goed in te vullen.[5.2]

In aanvechting door de zonde, bidden wij vaak maar om de helft. We bidden om bevrijding van de zonde, maar eigenlijk liever morgen dan vandaag. We bidden wel, maar hoe weinig stoten we door tot de diepere wortels van onze zonden en aanvechtingen? Hoe vaak willen we slechts half geholpen worden. Ons gebed vraagt dan lang niet diep genoeg. Beschermt onze zondige neigingen toch nog weer. Wat moeten we bidden in ziekte? Misschien is die ziekte wel veel beter voor ons dan gezondheid? Maar kennen we onszelf zo goed, dat we dit weten? Soms zeggen we het achteraf: wat ben ik blij met die ziekte die ik had. En dan ontdekken we dat ons gebed om spoedig herstel destijds toch wel kortzichtig was.

Paulus heeft gebeden om wat minder tegenslag en vervolging. Maar God heeft hem laten zien dat die engel van de satan in zijn leven juist nodig was om Paulus voortdurend aan de korte leiband van de genade te houden. Zo kan een kerk door oorlog en vervolging overeind blijven. Wij bidden wel, maar het is het gebed van de kortzichtige kinderen. Zo goed en zo kwaad als ze kunnen.

*

En hierin komt de Geest nu ons gebed te hulp. Hij kent ons beperkt vermogen. Hij weet dat het wel eens verkeerd kon aflopen wanneer God ons overliet aan de inhoud van onze eigen gebeden. En hij bidt zijn eigen gebed mét en óver ons gebed heen.[5.3]

Een klein kind dat met zijn moeder ergens op bezoek is, kan soms om iets moois dat het daar ziet, willen pakken. Maar de moeder die het kind kent, weet dat het nog niet in staat is om het goed vast te houden. Met haar ogen kan de moeder dan, achter het kind staande, soms te kennen geven: `Doe het maar niet, hij is daar nog niet aan toe, geef hem maar wat anders om mee te spelen¬ī. Het kind beseft niet dat de uitwisseling van begrijpende blikken over zijn hoofd heen een rol speelt bij wat er gebeurt of niet gebeurt. Het kind constateert alleen maar dat het iets anders ‚ÄĒ ook iets moois ‚ÄĒ krijgt dan het wilde pakken. Ongemerkt beschermde de moeder haar kind door haar eigen onhoorbare vragen als correctie en aanvulling op die van het kind te geven.

Zo ziet God achter ons kinderlijk en vaak onverstandig bidden de ogen en de onhoorbare stem van de Geest. Die Geest beoogt voor ons het betere op een betere manier. Hij weet wel wat Hij moet bidden naar de eis van de omstandigheden. Hij kent ons leven van binnen-uit én Hij doorgrondt ons hart beter dan wij zelf. Daarom is er over ons hoofd heen een woordeloos contact, een liefdevolle verstandhouding tussen de Vader en de Geest. En onder die onzichtbare liefdesboog leven wij als onvolkomen bidders heel veilig!

*

De Geest heeft immers het goede met ons voor? Het is niet voor niets dat Paulus juist na de vermelding van de voorbede van de Geest kan zeggen dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen die God liefhebben. Waarom loopt alles zo ons ten goede? Het sluit toch niet altijd aan op onze gebeden? Nee, maar het sluit wel altijd aan op de S.O.S.-seinen van de Geest die in ons hart meereist. Met deze Marconist aan boord heeft zelfs een stuntelige stuurman een behouden vaart tussen de kliffen en de zandbanken door.

Deze liefdevolle voogdij waaronder wij leven, is iets waar we weinig bij stilstaan. Het hoeft ook niet in het centrum van onze aandacht te staan. De Geest staat achter ons en wij moeten ons niet omdraaien, maar wij moeten God de Vader blijven aankijken en zélf tot Hem bidden als kinderen.

De stille zekerheid dat de Geest dan achter ons staat en voor ons bidt en meebidt met ons, geeft ons echter een bepaalde houding.[5.4]

In de eerste plaats worden we bescheiden. Bidt vrijmoedig gemeente, maar niet hoogmoedig. U kunt nog niet loslopen als Gods kinderen. Iemand houdt u vast. Ook bij uw bidden. Wees er de Geest dankbaar voor en bidt uw eigen gebed tot God heel bescheiden, wetend dat het nog aanvulling en correctie nodig heeft en gelukkig ook zal krijgen!

Dan bidden we in de tweede plaats ook niet onzeker. God zal ons niet vangen op onze gebeden. Wij mogen onze eerlijke wensen en verlan¬gens bij God bekend maken met bidden en danken. En ik weet dat wij dan ook wel eens bidden om iets dat slecht voor ons is. Maar ik heb de rugdekking van de heilige Geest. Dat maakt de eenzaamheid van een mens tot gemeenschap met de ongeziene God. En dat beveiligt mij bij het vaak onbeholpen en stumperig gebed. Ik durf er toch in te volhar¬den. Dankzij de Geest. Hij bidt in mijn hart en God weet dat Hij ons ten goede bidt.


3. (met ons)[6.1]

Onhoorbaar stijgt zo het roepen en verlangen van de Geest omhoog naar God. Alleen door het geloof weten we er iets van. Alleen door geloof kennen we dit geheim dat ons tot geborgen bidders kan maken. Waarom is de voorbede van de Geest voor ons onhoorbaar? Waarom houdt God onze oren daarvoor dicht en krijgen we het geluid niet te horen?

Omdat de Geest wel vóór heiligen bidt, maar niet in de plaats van heiligen. Hij neemt het gebed niet van ons af. Eerst is dan ook in vers 23 over óns gesproken. Wij leren door de Geest zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap. Hoe kan de bruid uitzien naar haar trouwdag. Hoe kan de man in een strafkamp uitzien naar het jaar van zijn vrijlating. Hoe leert een erfgenaam van God verlangen naar de dag van de uitkering, wanneer dood en zonde verdwijnen en God alles is in allen.[6.2]

En daarna zegt dan vers 26 dat de Geest ons bij dat bidden en zuchten ook te hulp komt en steunt. De voorbede van de Geest is niet plaatsver¬vangend, maar bijkomend.

*

Daarom zullen wij aan de tekst weinig steun en troost hebben wanneer wij niet in de eerste plaats zélf roepende gelovigen zijn. [6.3]

Grote nadruk valt in dit bijbelgedeelte steeds weer op het karakter van het gelovig gebed. Het is niet gearriveerd. Het is een hoopvol aanroe¬¨pen van God als Vader. Maar wie roept, doet dat omdat hij nog van verre staat. De kust wordt gezien, maar de golven staan nog hoog. En dan roepen wij `Vader¬ī (vs. 15). Er staat niet dat we God `Vader¬ī noemen, maar dat we het roepen. Kinderen kunnen als ze ondankbaar zijn wel de vadernaam gebruiken, maar vader er niet bij roepen om hulp. De Geest leert ons echter juist om God als Vader er bij te roepen: `Help, Vader, ik heb U nodig en U vertrouw ik¬ī. Dit roepen om God wordt ook getypeerd als een `zuchten¬ī, een snakken naar uitkomst. Dat kan aan een gebedsleven zo gaan ontbreken. Dan is ons gebed geen zuchten en roepen meer, maar een rustig voortkabbelend tevreden-zijn met het leventje dat we bereikt hebben. Pas als de nood in ons leven binnenkomt in ziekte en doodsgevaar, in vervolging en geestelijke achteruitgang, beseffen we soms hoe weinig we meer tot God hadden geroepen.

Maar behoren wij dat zuchtend en verlangend bidden niet zonder meer te leren?[6.4]

Zou de macht van de zonde in Nederland en in ons eigen leven, zou de afval in de christenheid en in de kerk ons niet naar de keel vliegen? Zou het lijden van zoveel broers en zusters in Noord-Korea, in China, in Iran of Nigeria ons niet doen schreeuwen om hulp? Zouden we doof zijn voor het zuchten van de hele schepping (vs. 19-22) die in barenswee√ęn is en onderworpen aan de dood verlangt naar het tevoor¬¨schijn komen van de heerlijkheid van Gods kinderen op de nieuwe aarde? Wat is er met ons aan de hand, wanneer wij het zuchtend bidden verleren terwijl de hele schepping schreeuwt tot God en de lijdende kerk roept om hulp en de martelaren in de hemelen verzuchten `Hoe lang nog wreekt Gij, rechtvaardige Heerser, ons bloed niet?¬ī. Het zijn werkelijkheden die niet gezien worden. Niet voor de t.v. en niet met de sterrenwacht. Maar het is de realiteit achter de schermen. En God doet ons weten en horen wat er achter de schermen zich werkelijk afspeelt. Horen wij als erfgenamen van God dan niet op te staan uit ons welva¬¨rend leven en mee te bidden en mee te zuchten door de Geest: Kom, Here Jezus, kom haastig!

In dat gebed gaan wij uit van wat nog niet gezien wordt. Dat gebed wordt door geen wereldling begrepen en de wereld dringt het niet aan ons op. Is het niet bizar? Maar als het, wat de mensen betreft, eenzaam om ons heen wordt, legt God zijn hand op ons en zegt: de Geest staat achter u en Hij helpt u.

Daarin bemoedigt de HERE ons om bidders te zijn die roepen en zuchten tot hun hemelse Vader.

En als u vanavond knielt voor uw God, weet dan hoe uw gebed gericht mag zijn op niet-geziene beloften en verwachtingen. Maar weet ook dat u niet alleen in de kamer bent. Iemand is bij u en in u. Hij helpt u bij uw bidden door zijn eigen gebed. Je blijft na de kerkdienst niet alleen achter op aarde! Je komt alleen thuis, maar je bent niet alleen in huis![7]

Dat heeft de Heiland beloofd in die laatste nacht, toen ze opstonden van het eerste avondmaal. Hij zei:
`Ik zal de Vader vragen, jullie een andere pleitbezorger te geven, die altijd bij je zal zijn: de Geest van de waarheid. Hij woont in jullie en zal in jullie blijven. Ik laat jullie niet als wezen achter: Ik kom bij jullie terug.¬ī (Johannes 14:16-18)

Jezus zelf blijft door zijn Geest intiem bij ons, in onze harten, vol voorzorg en gebed. We mogen daarom dan ook wel heel eerbiedig zijn: biddend tussen de Vader en de Geest. Beveiligd door de heilige God van voren en van achteren. In dat gezelschap is het, wanneer je terugkomt uit de kerk, alle dagen met je bidden volle ernst. Onzichtbaar is Hij ons altijd heel nabij!.


Amen. [7]


- Terug naar menu