- Download preek als PDF bestand    (Klik hier voor grote letter)
 - Download liturgie als PDF bestand
 - Download PowerPoint presentatie
 
- Terug naar menu


Tips voor de (voor)lezer.

ALGEMEEN
1. Lees als preeklezer vooraf het menu Informatie over Contact, Tekstkeuze e.a.

2. De cijfers tussen [ ] in de tekst, zijn alleen van belang wanneer men gebruik maakt van beamer-ondersteuning. Lees in dat geval als verzorger van de beamer vooraf in het menu Informatie : ,,De powerpoint presentatie’’.



Liturgie.

Morgen- of middagdienst

Tussen [] staan de elementen genoemd die alleen voor de morgen (vm) of alleen voor de middag (nm) van toepassing zijn.


Votum, Zegengroet, Amen
Zingen: Psalm 65:1
[vm] Wet van de HERE
[vm] Zingen: Psalm 65:2
Gebed voor de eredienst
Schriftlezing: 2 Samuël 18:1-8 en 18:24-19:9 (NBV. Andere vertalingen -19:8)
Tekstlezing: 2 Samuël 19:1 (NBV: andere vertalingen 18:33)
Zingen: Psalm 85:1,2
Preek over 2 Samuël 19:1 (NBV. Andere vertalingen 18:33)
Zingen: GK-2006 gezang 48:1,4
Dienst van de gebeden
[nm] Geloofsbelijdenis
[nm] Zingen: Psalm 65:4
Collecte
Zingen: Psalm 51:5
Zegen, Amen.





Preek over: 2 Samuël 19:1 (NBV)

Wilt u voorlezing van deze preek in uw gemeente even melden via contact@vanbruggenpreken.nl?
______________________________



Absalom, mijn zoon, mijn zoon . . .
2 Samuël 18 : 33 (NBV 19:1)


[1]Geliefde gemeente van onze Heiland,


De tekst voor deze dienst maakt ons verlegen. Wanneer vrouwen weeklagen om een dode, vullen klachten de straat. En de mensen groepen samen.

Maar als een man - een man alléén - weent, wordt het stil om hem heen. De mensen sluipen voorbij. Soldaten schamen zich. Wij zien een koning ontroerd. De deur is achter hem gesloten. Als een gekooide leeuw loopt hij rusteloos van wand tot wand. Zijn gezicht heeft hij omhuld als een dode. Daarachter snikt zijn stem: `Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom!´.

Deze klacht klinkt en komt terug en vindt geen rust. Herhaald, herhaald wordt het verdriet. Wie zal een man troosten? Zullen we David maar niet alléén laten in deze tekst? Het is immers voorbijgegaan. Binnenshuis werd opeens hard ge¬slagen met deuren. Driftige voetstappen en de barse stem van Joab roepen de man David tot de orde van de overwinningsdag. Daarna gaan de luiken open. De koning houdt zitting. Er is een parade en de vlaggen wapperen.

De mensen waren blij, dat het voorbij was: die inzinking van de koning.

Maar de HERE heeft dit uur uit Davids leven laten vastleggen. Wij moeten hier niet aan voorbij sluipen. Over de parade zwijgt de bijbel. Maar over Davids verdriet spreekt ze. Hij mag gezien wor¬den in zijn binnenkamer vol onrust.

Ook al zijn we wat verlegen met de tekst, we mogen er toch goed naar luisteren.

Meezingen kun je zo´n klacht niet. Het is geen psalm. Maar stil luisteren en er over nadenken -dat mag. Dat is zelfs goed. Predi¬ker zegt: `Verdriet is beter dan lachen, want bij een treurig gelaat is het met het hart goed gesteld´ (Pred. 7:3).

DAVIDS KLACHT OVER ZIJN ZOON ABSALOM
1. Tijdstip
2. Toon
3. Inhoud van de klacht.

1. (Tijdstip)[2]

Misschien vraagt u zich af of het met Davids hart wel zo goed is gesteld. Absalom was een muiter. Hij had naar de macht gegrepen in Jeruzalem. En nu waren er wel velen die hem volgden, maar hij bleef toch een pure opstandeling.

Moet je over zulke mensen klagen? Zij moeten bestreden worden en het recht moet zijn loop hebben! De verdrevenen moeten be¬schermd worden en de ontheemden teruggevoerd! Ja, zo is het. En het is dwaasheid dit te vergeten.

In onze tijd is er soms een mateloos begrip voor iedereen, een onuitput¬telijk verdragen van allerlei lieden en stromingen en optreden. David is echter niet zo´n man die `begrip´ heeft voor Absalom en hem wat beklaagt.

U kunt dat zien in het tijdstip van Davids klacht. Wanneer is hij bijna radeloos en kreunt hij het uit? Niet wanneer Absalom oprukt naar de stad Jeruzalem. Dan is David de man van de daad. Hij weegt de kansen af en trekt zich voorlopig terug uit de bedreigde stad. Hij leidt zijn volk en be¬schermt het voor Absaloms overmacht.

En als deze Absalom later oprukt en David in het Overjordaanse wil overwinnen, dan lezen we opnieuw geen woord over een bekla¬gen van de muiter. David vraagt wel clementie voor zijn zoon, maar hij zit zelf in de poort wanneer de legers uitrukken. Hij weet te regeren. De opstand tegen Gods gezalfde moet op aarde bestre¬den! Ter wille van Sion, ter wille van een vroom leven in Jeruzalem. In heel de periode van revolutie is David niet de man met `begrip´, maar de man met verantwoordelijkheid. Een koning in actie!

De klacht van onze tekst klinkt pas op wanneer de strijd gestreden is en de overwinning is behaald op de vijanden van Gods volk. Uit dit tijdstip blijkt dat David zijn persoonlijk verdriet en zijn natuurlijke gevoelens weet te onderwerpen aan de belangen van Gods kerk.

*

Dit leert ons hoe we niet mogen klagen in de kerk. Er is in ons leven te gauw een beklagen van de zondaar. Dan zeggen we: `Die jongen mag natuurlijk niet zo optreden tegen z´n ouders, maar ach, hij is jong en hij bedoelt het misschien niet zo erg; laten we hem de tijd geven, ´t is tenslotte ons eigen kind.´ Of we zeggen: `Die man mocht wel niet bij z´n vrouw weggaan, maar je kunt toch wel begrip opbrengen voor zijn situatie.´ Dan beklagen we wel, maar we klagen niet aan. En klachten zonder aanklacht, zijn lege woorden. Zij bedekken machteloosheid en blokkeren de weg naar genade.

Davids klacht over Absalom komt na een aanklacht, na tegenstand, na tucht over deze opstandige zoon.

Het antwoord op de zonde moet zijn: de veroordeling en de be¬strijding. Tranen helpen hier niet verder. Medelijden met wie in het water ligt, is nog geen liefde. Ware liefde treedt op en grijpt in. Als het nodig is, kunnen ouders er toe geroepen worden, een harde strijd te voeren met hun eigen kind. En een man of een vrouw kunnen geroepen worden tot een harde strijd met eigen vrouw of man om elkaar vast te houden en terug te roepen. Die strijd mag niet door zelfbeklag of gevoeligheid ontsporen. De wet van de HERE en onze roeping in de kerk, bepalen hier het front. Ook als het tegen je eigen vlees ingaat. Ook als het je eigen kind betreft.

Dan blijkt of het met ons hart goed gesteld is en of wij de HERE liefhebben, méér dan vader of moeder, man of vrouw, broer of zuster, zoon of schoonzoon.

Uit het tijdstip van Davids klacht blijkt, dat het met zijn hart goed is gesteld.

*

2. (Toon)[3]

Dat blijkt ook uit de toon van zijn klagen. `Mijn zoon Absalom, Absalom, mijn zoon, mijn zoon . . .´, Hier klinkt de toon van het verdriet. Verdriet -dat is de dochter van de liefde.

Waar geen liefde is, is geen verdriet. Daar kan wel zelfbeklag zijn of woede. In de hel is het knarsen van de tanden. Maar dat is wroeging. En daarbij staat nog steeds de mens zelf in het middelpunt. Maar het verdriet is daar, waar de ander bemind wordt. Verdriet zucht op de kust van de liefde.

David zegt niet: `och, ik arme, dat mij dit nu moest overkomen´. Hij snikt: `Mijn zoon, mijn zoon!´ Hij ziet de ander. Met liefde. En vergeet zichzelf.

Hoe is dat mogelijk? Dat kunnen we hier toch wel vragen. Want wie is die zoon? Het is Absalom, Absalom!

Mooi klinkt die naam, maar je moet de man er bij kennen! Een strever. Een ijdele man, trots op zijn uiterlijk, zijn haren. En een gemeen man: hij belastert zijn vader, de koning, bij de mensen in de poort. Een gevaarlijk mens! In stilte wrokt hij. Na jaren kan hij toeslaan. Amnon vermoorden. Joab lastig vallen. David verdrij¬ven. De jongen deugt van binnen niet. Hij lijkt mooi en aardig, maar door zijn leven trekt hij de lijn van meedogenloze wraak. Hij vergeeft nooit iets. Hij onthoudt en slaat terug. Een geboren dicta¬tor en tiran. Hij is niet tevreden wanneer hij zijn vader verdreven heeft uit Jeruzalem. Hij moet die vader vertrappen: voor hel oog van Jeruzalem eigent hij zich Davids vrouwen toe. Een smaad voor de koning en vooral een trap op het hart van de man die de wet van Mozes voorstond. Absalom doet expres en nadrukkelijk, wat de wet verbiedt.

Achter deze Absalom zit meer dan een ontevreden zoon. Daarach¬ter zit de satan, die het reformatiewerk van David wil vernielen. Wat David aan terugkeer tot God had bewerkt, moet zo snel moge¬lijk ongedaan gemaakt. De strijd van David tegen Absalom is de strijd van een aangevallen reformator tegen de grote afval in Israël.

Absalom is het inbegrip van ongeloof. Hij is de pion van satan in zijn poging om het huis van David in de kiem te smoren. De belofte van een grote zoon uit Davids huis mag niet doorgaan. De Christus mag niet komen. En zo wordt Absalom een vroege antichrist in Jeruza¬lem. Als het lukt om David te doden en zijn ijver voor de wet van de HERE uit te wissen in Israël, zal het snel gedaan zijn met Israël als Gods volk en met Davids huis als drager van beloften.

Is er geen reden voor een Hosanna, wanneer deze muiter gedood is? Wordt de weg naar Christus daarin niet opengehouden? Een ogenblik zouden we kunnen denken dat David ondankbaar is en de zegen van de zege op Absalom niet aanvaardt. Maar dan vergissen we ons. David heeft alles op alles gezet om die zege te behalen. En hij heeft daar geen ogenblik spijt van.

*

Maar zijn klacht op de overwinningsdag toont juist hoe de liefde van God heeft overwonnen. Absalom leefde uit de haat, de hardvochtigheid. David heeft daartegen gevochten met zijn leger. Maar wanneer die tegenactie nu ook zou zijn gevoed door haat en hardheid, was er in deze wereld niets gewonnen.

David streed echter door de liefde. Zo werd zijn strijd geen schel klinkend metaal.
Aan het eind klinkt de grondtoon. David lacht niet om Absaloms dood. Hij zegt niet `Ha, ha´, zoals Simeï en anderen tot David zeiden toen hij vluchtte. Aan het eind breekt het hart open en daar fonkelt het kristal van loutere liefde: Davids geheim. Die liefde was er in David tegenover Saul. Zo kon hij een klaaglied dichten bij de dood van zijn jarenlange vervolger en vijand: over Saul, de geliefde. Davids liefde blijkt opnieuw wanneer generaal Abner, een man van de tegenpartij, door generaal Joab laaghartig in een hinderlaag wordt vermoord. Ook dan is er een rouwlied als over een vriend.

Christus leert ons in deze wereld iets wonderlijks: `Hebt uw vijan¬den lief´. En David brengt dit in praktijk. Zoals Stefanus bad voor wie hem stenigden. En zoals Paulus bidt voor de Joden, die hem onophoudelijk de voet hebben dwars gezet. Onze houding aan het einde laat ons kennen zoals we zijn.

Wanneer iemand de kerk de rug toekeert en de wereld ingaat, zegt men misschien: `´t Was altijd al een mispunt´. Is dat ons laatste woord? Wat zijn we dan arm geweest aan liefde!
Wanneer een jongen de kerk verlaat, zegt men misschien: `Hij moet het dan zelf maar verder uitzoeken´. Alsof het ons niet deerde!

Wanneer een vrouw haar man ziet verdwijnen in overspel of nalatigheid, klinkt de grondtoon: Welke is het? Die van `Nu wil ik ook niet meer met hem te maken hebben´? Of rouwt het hart: `O mijn man, mijn man, mijn liefste!´?

In deze gevallen wereld ontkomen wij er niet aan, tegenover ande¬ren te moeten staan, soms geliefde familie, soms een gewaardeerd predikant. Maar hoe is dan ons hart? Er komt een ogenblik dat dit niet verborgen kan blijven. Dan klinkt de grondtoon. Is het die van de afkeer, de kwade tong, de ergernis? Of die van de liefde? Waar liefde is, blijft ook verdriet over. Verdriet over iemand die heenging, ontrouw werd, tegenstander wilde wezen. Dit verdriet ontbreekt nog te vaak in onze harten. Dan verkilt de strijd. En straks verkoelt ze ook.

Wanneer we Davids verdriet niet begrijpen, hoe komt dat dan? Is er bij ons dan wel liefde voor allen? Of kennen wij de Geestelijke strijd niet in deze wereld? Wie strijdt om in te gaan, heeft niet altijd droge ogen. Een strijdende kerk mocht best elk jaar een vastendag houden om hen die in een jaar de gemeenschap van de kerk verlieten!

Juist Davids verdriet is de overwinning van Christus op Absalom. Wanneer die haatstem zwijgt, snikt de liefde van Christus nog na in David. En waar de liefde is, is er hoop op het slagveld van deze wereld. Daar is de strijd pas echt gewonnen!



3. (Inhoud)[4]

Dat blijkt nog meer wanneer we tenslotte letten op de inhoud van Davids klacht. `Och, dat ik in uw plaats gestorven was, Absa¬lom, mijn zoon, mijn zoon´.

`Was ik maar dood in plaats van jij´. Is dat niet onredelijk? Joab protesteert ertegen. Hij zegt: `Vandaag weet ik zeker dat u het beter zou vinden wanneer Absalom nog in leven was en wij allemaal waren gesneuveld´. Maar Joab doet hier geen recht aan David. Hij zei niet: `Och, dat het volk in uw plaats gestorven ware´. En zo heeft David trouwens ook niet gehandeld. Hij heeft het volk eerst gespaard en het toen met overleg ingezet in de strijd. En toen het volk zei, dat David ter wille van hen maar niet mee uit moest trekken, is hij om hen thuisgebleven in de stad. De koning gaf om het volk!

Joab begrijpt dat niet. Hij zegt verwijtend: `U haat degenen die u liefhebben en u hebt degenen die u haten lief´. Het laatste is waar: David heeft ook zijn vijanden lief. Maar het eerste is niet waar: David heeft wel degelijk liefde voor wie hém liefhebben. Daarin verschilt Da¬vid van de harde Joab. Voor Joab is het: liefde voor David en de dood aan alle vijanden. Hoewel Joab aan de goede kant staat, woont toch niet de geest van David in hem, maar de geest van Absalom. Keer op keer blijkt die hardheid van Joab. Een ongeeste¬lijke houding in een geestelijke strijd. Op Gods tijd heeft Joab daarvoor zijn straf ontvangen.

David wilde het volk niet offeren voor Absalom, maar hij had wél zichzelf willen geven in Absaloms plaats.

*

Wat betekent dit nu? Wat betekent het in de mond van hem die juist in de stad bleef - buiten de strijd - om zelf in leven te blijven ten behoeve van het volk?

Het betekent niet dat David het volk liever zag prijsgegeven aan Absalom. Maar het betekent wel dat David zijn zoon deze dood-in-zijn-zonde had willen besparen. David durft wel te sterven. Hij durft wel naar zijn God te gaan. Door het geloof weet hij zich gerechtvaardigd voor de HERE. Maar Absalom stierf in ongeloof. En dat is erg. Wat voor oordeel wacht ons dan! Het is toch niet afgelopen met de dood. David kan niet zeggen: dat is dan weer voorbij. Bij de dood komt Absalom, als ieder mens, voor God te staan. En hoe zal hij dan standhouden? Sterven is niet erg, maar eeuwig veroordeeld worden -dat is erg. David klaagt omdat het met de dood niet uit is. Hij kijkt verder dan het graf. En dan knijpt vaderliefde zijn keel dicht: O, Absalom, mijn zoon, mijn zoon! Een hartstochtelijk snikken op de drempel van de eeuwige dood.

Laten wij voor elkaar beseffen dat het tenslotte niet de vraag is of we in dit leven benijd of beklaagd worden, maar of we na dit leven zalig zullen zijn.

Absalom was een versierder. Een jongen die wat mee wist te nemen van het leven. En als hij zich doodgereden heeft in het woud, denken zijn vrienden aan niet meer dan bloemen op z´n graf. Maar achter de gesloten luiken loopt vader David angstig heen en weer: nu pas goed is hij ten dode bedroefd om die jongen. O, mijn zoon, mijn zoon! Was ik maar in uw plaats gestorven. Dat is een uitzonderlijk gebed.

*

David zoekt een uitweg. Hij tast de blinde muur van de dood af: is er geen bemiddeling mogelijk? David legt zich niet neer bij de dood van de zondaar in deze wereld. Hij zoekt een poort voor de goddeloze.

En dan grijpt David ver boven zichzelf uit. Hij zegt iets wat hij zelf niet waar kan maken. En toch zegt hij het: laat er iemand zijn in de plaats van de goddeloze.

Heeft David tevergeefs geschreeuwd? Hij moest verder. De parade afnemen. De geschiedenis van de levenden staat niet stil. En David is later gestorven en begraven. Maar zijn schreeuw naar omhoog is als een zwaluw voor Gods troon blijven rondvliegen.

*

En één dag later - want bij de HERE zijn duizend jaren als één dag – heeft God geantwoord.

En in Davids plaats zond God zijn eigen Zoon. Zo lief had God de wereld waarin mensen als Absalom naar de macht grijpen om zijn werk ongedaan te maken.

`O, mijn mensheid, O Adam, mijn zoon, mijn zoon, dat Christus voor u sterve´.

David kon de rollen niet omdraaien.

Maar op Golgotha gebeurt het. Davids zoon sterft, hangend tussen hemel en aarde, als Absalom. En de vijand blijft leven in Jeruza¬lem. Kajafas en Saulus.[5]

David heeft het onmogelijke uitgeroepen. Maar niet het onbestaanbare. Alle dingen zijn mogelijk bij God die de goddeloze redt van de eeuwige dood door het bloed van zijn eigen zoon.

Dit stempel van Christus laat zijn afdruk al na in Davids verdriet en bitter roepen.

*

Het verdriet van David is de wereld nog niet uit. Maar we kunnen wel iets méér roepen in ons verdriet: `O Here, laat Christus ook voor hem, voor haar, de Middelaar zijn´. Daar moeten we om bidden. Voor alle mensen.

Mensen, waar we soms om Godswil lijnrecht tegenover moeten staan.

God wil dat allen behouden worden en tot kennis van de waarheid komen. Wij mogen niet minder willen in ons smeken. Wees niet bang om te strijden in deze wereld, soms tegen je liefste vrienden in.

Schaam je echter niet als er dan toch tranen in je ogen staan. Wees eerder bang om in de strijd de liefde kwijt te raken en daardoor ook de strijd te verliezen.

En bid in je binnenkamer dat Christus nog in velen mag wonen. Hij, die voor zondaren en opstandigen stierf. Dat roepen is niet voor niets onder Gods hemel na Pasen. Kyrie eleis!


AMEN. [6]



ALGEMEEN
1. Lees als preeklezer vooraf het menu Informatie over Contact, Tekstkeuze e.a.

2. De cijfers tussen [ ] in de tekst, zijn alleen van belang wanneer men gebruik maakt van beamer-ondersteuning. Lees in dat geval als verzorger van de beamer vooraf in het menu Informatie : ,,De powerpoint presentatie´´.

- Terug naar menu